Groei in Christus van M.J. Stanford                                                                  Terug naar de overdenking.

1.Geloof
2.De tijdsfactor
3.Aanneming
4.Het doel
5.Voorbereiding
6.Volmaakt in Hem
7.Toe-eigening
8.Vereenzelviging
9.Heiliging
10.Het zelf-leven
11.Zelfverloochening
12.Het kruis
13.Discipelschap
14.De weg van een discipel
15.Inspanning en rust
16.Hulp
17.Vorming
18.Voortgang

"Want die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld zijns Zoons, opdat Hij de eerstgeborene zou zijn onder vele broederen; en die Hij tevoren bestemd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt." Rom. 8: 29,30

Groei in Christus van M.J. Stanford in 18 afleveringen.

Geloof (1)


De bedoeling van dit boekje is een aantal belangrijke principes van geestelijke groei duidelijk uit te leggen en zo bij te dragen aan het leggen van een gezond bijbels fundament, waar Christus centraal staat. Met minder doen we Hem tekort. De Heilige Geest laat Paulus aan elk van ons schrijven: "Stelt uzelf op de proef, of gij wel in het geloof zijt, onderzoekt uzelf" (2 Kor. 13:5), en deze aanbeveling past bij de opzet van deze studie. Voor alles moeten wij beseffen: "maar zonder geloof is het onmogelijk Hem welgevallig te zijn" (Hebr. 11:6). Bovendien kan waarachtig geloof alleen gebaseerd zijn op de feiten uit de Schrift, want: "Zo is dan het geloof uit het horen, en het horen door het woord van Christus" (Rom. 10: 17). Als ons geloof niet op feiten rust, is het niet meer dan inbeelding, bijgeloof, eigen gedachte of aanmatiging. Hebr.11: 1 laat hier geen twijfel over bestaan: "Het geloof nu is de zekerheid der dingen, die men hoopt, en het bewijs der dingen, die men niet ziet" Geloof, dat staat op de feiten van Gods Woord, bevestigt en bewijst de dingen, die wij niet zien. Iedereen weet dat bewijs gefundeerd moet zijn op feiten. Wij, allen zijn op deze manier begonnen, toen wij werden wedergeboren - ons geloof rustte direct op het eeuwige feit van de verlossende dood en opstanding van onze Heer en Heiland, Jezus Christus (1 Kor. 15:1-14). Dit is het geloof, waarin wij zijn begonnen. Door hetzelfde geloof moeten wij "staan" (1 Kor. 16:13), "wandelen" (2 Kor. 5:7) en "leven" (Gal. 2:20). "Nu gij Christus Jezus, de Here, aanvaard hebt, wandelt in Hem," (Kol. 2:6). Omdat waarachtig geloof verankerd is in de feiten van de Schrift, moeten wij ons niet door indrukken en gevoelens laten beïnvloeden. Geloof is gebaseerd op het Woord van God. Het zijn niet meningen, zwak of sterk, die iets veranderen. Wij hebben met het Woord van God van doen en niet met meningen, indrukken of gevoelens. Als het er op aan komt echt te geloven, kunnen allerlei dingen, die waar lijken, dat geloof aan het wankelen brengen. Soms denken we: hij of zij zal wel nooit gered worden. Of we verzuchten: zoals het er nu uitziet, vraag ik mij af, of de Here mij werkelijk liefheeft. Vele mensen zijn bereid om te geloven, wat waarschijnlijk lijkt. Maar geloof heeft niets te doen met waarschijnlijkheden. Geloof begint, waar de waarschijnlijkheden ophouden en het gezicht en het gevoel falen. Met waarschijnlijkheden moeten we niet rekenen.

De vraag is: Heeft God het in Zijn Woord gezegd? Geloof moet gebaseerd zijn op zekerheid. Er is een gefundeerde kennis van Gods doel en van Zijn wil voor nodig. Zonder dat is er geen waar geloof. Want geloof is geen kracht, die wij kunnen beoefenen, ook geen worsteling, waardoor wij iets tot stand brengen, in de mening, dat het wel zal gebeuren, als wij maar sterk genoeg geloven. Zoiets kan men positief denken noemen, maar het is zeker geen bijbels geloof. Geloof heeft feiten en geen veronderstellingen nodig om op te rusten. God openbaart ons in Zijn Woord de zekerheden, van waaruit het geloof moet handelen. Er kan geen standvastigheid zijn, als de feiten niet vast en zeker zijn. De last van Petrus was:"opdat de echtheid van uw geloof, kostbaarder dan vergankelijk goud, dat door vuur beproefd wordt, tot lof en heerlijkheid en eer blijke te zijn bij de openbaring van Jezus Christus" (1 Petr. 1: 7).

Als we ons leven gaan baseren op de feiten van God, begint onze Vader ons op te bouwen in het geloof. Vanuit zijn diep en eenvoudig Godsvertrouwen was een man als George Müller in staat te zeggen, dat God verlangt het geloof van Zijn kinderen te vermeerderen. God gebruikt hiervoor middelen als beproevingen en moeilijke situaties. Van nature echter willen wij wel overwinning, maar geen beproeving om tot overwinning te komen. Evenzo willen wij wel geduld hebben, maar geen situaties om geduld te oefenen. Toch moeten we leren deze middelen uit Gods hand te aanvaarden, omdat dit de enige manier is, waarop God ons tot Zijn doel kan brengen! Ik zeg, en ik zeg dit met vrijmoedigheid, dat beproevingen, hindernissen moeilijkheden en vaak ook nederlagen het echte voedsel zijn voor het geloof.

Geloof betekent, dat we ons afhankelijk weten van God. Deze afhankelijkheid begint, waar ons zelfvertrouwen ophoudt en verdriet, lijden, verdrukking, verbroken plannen en wanhoop ons tot hulpeloosheid en nederlaag brengen. Alleen dáár wordt duidelijk, dat wij de les van het geloof hebben geleerd, waar wij ervaren, dat onze zwakheid uitmondt in een gezegende overwinning van leven, kracht en een dienst, waarvan wij niet hebben durven dromen in de dagen van eigen sterkte en zelfvertrouwen.

Het is een belangrijke zaak om te leren geloven: eenvoudig afhankelijk zijn van God. Het zal u vertroosten, als u zeker weet, dat de Here bezig is u te onderwijzen om afhankelijk van Hem te worden. Het is zeer opmerkelijk dat geloof nodig is voor alle dingen. "De rechtvaardige zal door geloof leven" geldt niet alleen in uw omstandigheden, maar in alle dingen. Ik geloof, dat de Here ons vaak in moeilijke situaties brengt om ons onze machteloosheid duidelijk te maken, opdat wij dieper gaan beseffen, hoezeer wij Hem nodig hebben. Hoe meer u Hem vindt in pijnlijke situaties, zoveel te hechter wordt u aan Hem verbonden. Dan zijn niet meer de pijnlijke dingen overheersend, maar de gemeenschap met de levende Heer. "Bedenkt de dingen, die boven zijn" (Kol. 3:2).

Wij kunnen niemand verder vertrouwen dan dat wij hem of haar kennen. Laten wij daarom de feiten leren kennen, met als doel, dat wij tot een diepere kennis komen van Hem, die ons alle dingen van boven schenkt.

"Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt" (Joh 17:3)

Naar boven.

De tijdsfactor (2)

Voor veel gelovigen lijkt het moeilijk te aanvaarden, dat God Zich niet haast met de ontwikkeling van ons christenleven. Hij werkt vanuit en voor de eeuwigheid! Velen denken, dat er geen groei is in hun geestelijk leven, omdat zij niet snel en aanhoudend voorwaarts gaan. Nu is het waar, dat de jongbekeerde dikwijls in het begin een snelle ontwikkeling doormaakt. Maar als er een gezonde groei ontstaat naar volle rijpheid, zal dit niet zo blijven. God Zelf zal het tempo bepalen. Het is belangrijk hier oog voor te hebben, omdat in de meeste gevallen, waarin men denkt terug te vallen, in feite geen sprake is van achteruitgang.

Gods handelen met ons is erop gericht, dat ons zelfvertrouwen zal afsterven. Daarom werd Mozes veertig jaar terzijde gesteld. Paulus' eerste ernstige getuigenis was wel goed, maar hij bleef daarna drie jaar alleen. Ook wij moeten allen onszelf leren kennen en gaan beseffen, dat onze sterkte schade doet. Nadat wij dit geleerd hebben, gaan wij steunen op de Here en kunnen we met meer rijpheid en een rijkere ervaring met anderen omgaan. Daar het christelijke leven rijpt en vruchtbaar wordt in een groeiproces (2 Petr. 3:18), meer door strijd dan door 'ervaringen', kost het veel tijd. Als wij dit niet zien en erkennen, is er het gevaar van voortdurende verwarring, en mogelijk zelfs weerstand tegen het ontwikkelingsproces van onze hemelse Vader. Een illustratie is het volgende: Een student vroeg de rector van de school of hij niet een kortere cursus kon volgen. 0 ja, antwoordde hij, het ligt er maar aan wat je wilt bereiken. Als God een eik wil maken, neemt Hij daar honderd jaar voor. Als Hij een pompoen wil maken, heeft Hij maar zes maanden nodig. De groei van een boom is geen gelijkmatige zaak. Er zijn enkele maanden in het jaar met meer groei dan in alle overige maanden. Tijdens de rest van het jaar is er echter de solidering. Zonder dit proces zou het groene hout waardeloos zijn. De periode van snelle groei, als de houtvezel zich aanzet tussen de schors en de kern, duurt ongeveer zes weken (in de maanden mei t/m juli). Laten wij eens en vooral vaststellen: er is geen kortere weg! Dit geldt ook voor de groei van een christen. Een meteoor legt maar een korte baan af, totdat hij geheel verbrandt, maar een ster blijft en biedt met zijn gestadige licht zekerheid aan zeelieden. Als de tijdsfactor niet door het hart erkend wordt, is er altijd het gevaar, dat we ons keren tot de valse verlokking van een kortere weg via 'ervaringen' en 'zegeningen', waar we deerniswekkend verstrikt raken in de draaikolk van steeds veranderende gevoelens, los van de vaste feiten uit de Schrift. Sommigen zijn misleid. Ze zeggen dat ze de volmaaktheid al bezitten, omdat zij op dat moment gelukkig en vol vertrouwen in de Here zijn. Maar het is niet door een enkele ervaring, dat de vrucht tot volle rijpheid komt, maar er is een geduldig volharden nodig om het goede te doen.

De genade van God smaken is één ding. Bevestigd worden in de genade en deze, openbaren in ons karakter, onze gewoontes en ons normale leven, is iets anders. Ervaringen en zegeningen, op zichzelf werkelijk genadige bezoekingen van de Here, zijn niet voldoende om op te rusten. Nee, vrucht rijpt langzaam. Zonneschijn en stormen voegen elk hun deel toe. Zegen zal op zegen volgen en storm op storm, voordat de vrucht volgroeid en tot rijpheid gekomen is.

In de methode van de Landman voor ware geestelijke groei zijn pijn én vreugde besloten, lijden én blijdschap, nederlaag én succes, rust én dienst, dood én leven. De verzoeking, tot een kortere weg is sterk, totdat wij de waarde en de noodzaak van de tijdsfactor gaan erkennen, en in eenvoudig vertrouwen in Gods hand gaan rusten. "Hiervan toch ben ik ten volle overtuigd, dat Hij, die in u een goed werk is begonnen, dit ten einde toe zal voortzetten, tot de dag van Christus Jezus." (Fil.1:6). Dierbare vrienden, dit vraagt tijd! Maar daar God voor de eeuwigheid werkt, waarom zouden wij ons dan bezorgd maken over de tijd die nodig is?

Geestelijke vernieuwing is een geleidelijk proces. Hoe fijner het organisme, hoe langer het proces. Er is verschil in vrucht: "Veertigvoud, zestigvoud en honderdvoud". Het gaat stap voor stap: "eerst de halm, dan de aar en dan het volle koren in de aar" Het is ook van dag tot dag. Hoe verschillend zijn deze dagen. Er zijn grootse dagen van beslissende gevechten, dagen van overwinning, dagen, dat de rechterhand van God op ons rust. Maar er zijn ook ijdele dagen, dagen van crisis, dagen, die schijnbaar nutteloos zijn, als zelfs gebed en dienst een last schijnen. Worden wij zelfs in deze dagen nog in enig opzicht vernieuwd? Ja, want elke ervaring, die ons meer bewust maakt van onze nood voor God, draagt bij tot onze geestelijke voortgang. Wij kunnen bekende namen van gelovigen noemen, die God duidelijk tot rijpheid bracht en tot Zijn heerlijkheid gebruikte zoals: Pierson, Moody, Müller, Taylor, Watt, Trumbull, Murray, Gordon, Hyde, Mantle, McCheyne, McConkey, Deck, Paxson, Stoney, Saphir, Carmichael en Hopkins. Pas gemiddeld vijftien jaar, nadat deze mannen hun levenswerk aanvingen, leerden zij de Here Jezus echt kennen als hun leven. Toen hielden zij op te proberen voor Hem te werken en begonnen zij Hem toe te laten alles te zijn in hun leven en Zijn werk door hen heen te doen. Dit staat hier niet om ons ook maar enigszins te ontmoedigen, maar om ons te helpen onze inzichten af te stemmen op de eeuwigheid, door geloof "maar ik jaag ernaar, of ik het ook grijpen mocht, omdat íík ook door Christus Jezus gegrepen ben......maar één ding (doe ik): vergetende hetgeen achter mij ligt en mij uitstrekkende naar hetgeen vóór mij ligt, jaag ik naar het doel, om de prijs der roeping Gods, die van boven is, in Christus Jezus" (Fil.3:12-14). Zonder afbreuk te doen aan ervaringen, die de Geest schenkt, zegeningen of zelfs een crisis, doen we goed te bedenken, dat een geestelijk rijpingsproces uitermate belangrijk is en tijd vergt. Het vraagt tijd onszelf te leren kennen. Er is tijd (en de eeuwigheid) voor nodig om kennis te verkrijgen van onze oneindige Here Jezus Christus.

Nu is het de tijd om de hand aan de ploeg te slaan en ons hart te richten op Zijn doel voor ons, "om Hem te kennen en de kracht zijner opstanding en de gemeenschap aan zijn lijden, of ik, aan zijn dood gelijkvormig wordende," (Fil.3: 10).

In de strijd gaan wij zo dikwijls tot de Here. We bidden, pleiten en vragen om overwinning, om overmeestering van de boze machten. Onze gedachte is dan, dat de Here op de een of andere wijze met een machtige betoning van kracht zal ingrijpen om ons in één klap tot overwinnaar te maken. Wij moeten deze gedachte corrigeren. Wat de Here doet, is ons bezit verruimen. Hij leidt ons door bepaalde oefeningen en ervaringen. Hij gaat met ons een bepaalde weg, die onze geestelijke verruiming beoogt. Als we zo geestelijk geoefend zijn, worden wij als vanzelf in de ruimte gesteld.

"Ik zal hen niet in één jaar voor u uit verdrijven, opdat het land geen woestenij worde en het wild gedierte u niet te veel worde. Langzamerhand zal Ik hen voor u uit verdrijven, totdat gij zo vruchtbaar wordt, dat gij het land in bezit kunt nemen." (Ex. 23:29-30).

Op zekere dag hield de Britse premier Disraeli in het Lagerhuis een toespraak voor de vuist weg. Die avond zei een dame tot hem: 'Ik moet u zeggen, hoe ik heb genoten van uw spontane toespraak. De hele dag heb ik aan uw woorden gedacht. 'Mevrouw', bekende Disraeli, 'die toespraak heb ik al jaren in gedachten.' Wat jarenlang in hem gerijpt was, brak hier vanzelf plotseling naar buiten.

"Maar uit Hem is het, dat gij in Christus Jezus zijt, die ons van God is geworden: wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en verlossing," (1 Kor. 1:30)

Naar boven.

Aanneming (3)

Er zijn twee vragen, waarop elke gelovige zo spoedig mogelijk een zeker antwoord moet hebben. Deze zijn:

1. Heeft God mij ten volle aangenomen?

2. Zo ja, op welke basis doet Hij dat?

Dit zijn beslissende vragen. Wat een vernieling kan er zijn in de levens van mensen, jong of oud, rijk of arm, gered of niet, wanneer ze niet zeker zijn, of ze zijn aanvaard, ook op het menselijk vlak. Er zijn vele gelovigen, die door dit leven gaan, zonder dat ze op het kostbare fundament rusten en bouwen. Het kunnen gelovigen zijn, die zelf hard hun best doen, of gelovigen, die steunen op anderen.

"In liefde heeft Hij ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen door Jezus Christus, naar het welbehagen van zijn wil, tot lof van de heerlijkheid zijner genade, waarmede Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde." (E f. 1: 5 -6).

Iedere gelovige is door de Vader aangenomen in Christus. "Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede met God door onze Here Jezus Christus," (Rom. 5: 1). De vrede van God komt tot ons, door Zijn geliefde Zoon. Hierop moet onze vrede gebaseerd zijn. God kan met ons vrede hebben door onze Here Jezus Christus, "en door Hem, vrede gemaakt hebbende door het bloed zijns kruises," (Kol. 1: 20).

Wij moeten nooit vergeten, dat Zijn vrede uitsluitend gefundeerd is op het werk van het. kruis, geheel los van iets wat in ons of wat van ons is, want "God echter bewijst zijn liefde jegens ons, doordat Christus, toen wij nog zondaren waren, voor ons gestorven is."(Rom.5:8).

Als ons geloof eenmaal begint te rusten op dit wondervolle feit, dan wordt het een vaste houding. Dan kan het zijn, als het nodig is, dat je "door de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en kostbaar" bent (1 Petr. 2:4). Deze standvastigheid hebben alle gelovigen in deze tijd nodig.

De gezegende God verandert nimmer, noch komt Hij terug op de aanneming, waarmee Hij ons heeft aanvaard, vanwege de dood en de opstanding van Jezus Christus. Helaas zijn wij geneigd af te wijken van de zekerheid, dat God voor ons altijd Diegene is, Die ons de verzoening heeft geschonken (Rom. 5: 10-11). Omdat velen zich van zonden bewust zijn, veronderstellen ze, dat ze daarom hun aanneming bij God moeten vernieuwen. De waarheid is, dat God niet veranderd is. Zijn oog rust op het werk, dat door Christus voor de gelovigen volbracht is.
Wanneer u niet in de Geest wandelt, dan bent u in het vlees. U hebt zich naar de oude mens gekeerd, die al gekruisigd is (Rom. 6:6). U moet de gemeenschap met de Heer herstellen. Als u dat doet, zult u ontdekken, dat uw aanneming door God onveranderd en onveranderlijk is. Als zonden worden toegelaten, dan komt de vrees, dat God is veranderd. Hij is niet veranderd, maar u. U hebt niet gewandeld in de Geest, maar naar het vlees. U moet uzelf oordelen, opdat u tot herstel kunt komen. "Want dit is Mijn bloed, het bloed des Nieuwen Testaments hetwelk voor velen vergoten wordt, tot vergeving van zonden " (Mat. 26:28). Als daar niet met uw zonden is afgerekend, waar moet u er dan mee naar toe? "Waar dan voor deze dingen vergeving bestaat, is er geen zondoffer meer" (Hebr. 10:18). God heeft de verzoening tot stand gebracht, Hij blijft hieraan getrouw, altijd.

Helaas, wij zijn het, die afwijken, en we zijn geneigd te veronderstellen, dat de gezegende God ten aanzien van ons is veranderd. Hij zal zeker het vlees oordelen, als wij het niet doen, maar Hij wendt Zich nimmer af van Zijn liefde, die Hij aan het verlorene, heeft geopenbaard. Als de wolk, die ontstaan is door onze wandel in het vlees, verdwijnt, komen we tot de ontdekking, dat Zijn Liefde nooit veranderd is. Geprezen zij Zijn Naam!

Gods basis voor aanneming moet ook onze basis zijn. Wij zijn "aangenomen in de Geliefde" Onze Vader is ten volle tevreden gesteld door wat Zijn geliefde Zoon voor ons gedaan heeft, en er is daarom voor ons geen reden om niet tevreden te zijn. Ons welbehagen kan alleen ontspringen aan en rusten in Zijn welbehagen. Het is van God tot ons en niet van ons tot God.

Als de Heilige Geest met de mens spreekt, spreekt Hij niet vanuit wat de mens voor God is, maar vanuit wat God voor de mens is. Mensen redeneren vanuit datgene, wat zij in zichzelf zijn, en vragen of God hen zo wel kan aanvaarden. U zoekt naar rechtvaardigheid in uzelf als grond voor aanneming bij Hem. U kunt op die manier, als u zo blijft redeneren, geen vrede krijgen.

De Heilige Geest spreekt altijd vanuit God Zelf, en Hij kan zo een volledige verandering in mijn ziel bewerken. Het is dan niet alleen, dat ik mijn zonden ga verafschuwen, maar ik verafschuw mijzelf. Dit maakt de Heilige Geest duidelijk. Hij laat ons zien, wie wij zijn. Dat is één van de redenen, waarom Hij dikwijls hard voor ons schijnt te zijn en geen vrede en verlichting aan de ziel geeft, totdat wij gaan ervaren en vanuit ons hart erkennen, wie wij zijn. Hij geeft de ziel niet eerder vrede dan dat de ziel tot dit punt gekomen is.

Hij zou het niet korter kunnen, want het zou een zachte, schijnbare heling van de wond zijn. De ziel moet verder gaan, totdat hij tot de ontdekking komt, dat er niets is om op te rusten dan de onbegrijpelijke goedheid van God: "Indien God voor ons is, wie kan tegen ons zijn?"(Rom. 8:31).

Het is indroevig te zien, dat in deze tijd de meeste gelovigen inderdaad tegenovergesteld redeneren: vanuit zichzelf naar God toe. Als alles goed gaat en God schijnt te zegenen, dan hebben zij het gevoel, dat Hij hen liefheeft en aanvaardt. Maar wanneer zij struikelen en alle dingen droog en hard schijnen, dan denken zij, dat Hij hen niet liefheeft en niet aanvaardt. Hoe is dit mogelijk? Er is niets in ons, dat wij God kunnen aanbieden. Onze aanvaarding is in Christus. Bovendien is het zo, dat onze ware geestelijke ontwikkeling grotendeels plaats vindt tijdens de droge en harde tijden. Dank God, Hij heeft ons aangenomen in Zijn Zoon. Op dit FEIT moet ons geloof rusten. Evenals onze rechtvaardiging is ook onze aanneming uitsluitend door GENADE.

Er is niets in het schepsel, op grond waarvan genade zou worden gegeven. Het schepsel moet er vanaf gebracht worden om te trachten aan God grond te verschaffen voor Zijn barmhartigheid en zorg.

Hij is aangenomen in Christus eens voor altijd! Hij is niet voorwaardelijk aangenomen. Wat zijn voorbije leven betreft, dit bestaat niet meer voor God: hij is met Christus aan het kruis gestorven en Christus is nu zijn leven. Genade, die eenmaal geschonken is, wordt niet teruggenomen. Want God heeft al de menselijke noden van te voren gekend. Zijn daad was, onafhankelijk daarvan. Geloven en toestemmen, dat wij geliefd worden, terwijl wij volkomen onwaardig zijn, is het grote geheim.

Weiger om besluiten te nemen en plechtige beloften af te leggen, want dat is vertrouwen op het vlees. Verwacht te worden gezegend, hoewel u meer en meer inziet, dat u het niet waard bent. Vertrouw op Gods kastijdende, opvoedende hand als bewijs van Zijn goedertierenheid. Als u hoopt beter te worden en daarom aanvaardbaar, dan ziet u uzelf niet in uw enige juiste positie: in Christus. Teleurgesteld worden in uzelf komt, omdat u nog steeds in uzelf gelooft.Ontmoedigd worden is ongeloof - in het zegenrijke plan en doel, dat God voor u heeft.Hoogmoedig zijn betekent blind zijn! Want wij hebben in onszelf geen grond voor God. Gebrek aan goddelijke zegen komt daarom voort uit ongeloof en niet vanuit het falen van uw toewijding.

Door eerst over toewijding te spreken en daarna over zegen, keren we de goddelijke orde om. Dit is de wet prediken i.p.v. de genade. De wet maakt de zegen voor de mens afhankelijk van zijn toewijding. Genade schenkt onverdiende, onvoorwaardelijke zegen.Onze toewijding behoort te volgen, hoewel dit niet altijd in de juiste mate gebeurt. Zijn wij bevreesd om werkelijk in God te geloven? Wij moeten nooit vergeten, dat Gods wegen niet de wegen van de mens zijn. Angst voor aanhoudend gevaar is voor sommigen de enige aansporing tot daden. Vele godsdiensten of systemen gebruiken angst om hun volgelingen of onderdanen te beheersen. Vrees heeft ook een plaats in het christendom. Maar God heeft hogere en meer doeltreffende beweegredenen dan vrees. De belangrijkste is liefde. Vrees brengt na verloop van tijd alleen verstarring voort, maar liefde wekt liefde op.

Iemand de zekerheid van zijn bestemming beloven, lijkt voor mensen op spelen met vuur, maar dan laten we God buiten beschouwing. Zij, die het diepste besef van genade hebben, gaan niet voort met zondigen als gewoonte. Vrees brengt slaafse gehoorzaamheid voort, maar liefde verwekt de gehoorzaamheid van zonen. Pas als de gelovige op basis van de Schrift absoluut zeker is van het fundament, kan hij in de strijd staande blijven: "Staat dan "(Ef. 6:14); " lmmers indien de bazuin een onduidelijk geluid geeft, wie zal zich gereed maken tot de strijd?" (1 Kor. 14:8).

" En onze Here Jezus Christus Zelf, en onze God en Vader; Die ons heeft liefgehad en gegeven heeft een eeuwige vertroosting en goede hoop in Genade, vertrooste uwe harten en versterke u in alle goed woord en werk" (2 Thess. 2:16)

Naar boven.

Het doel (4)

Hoe wonderbaar en bemoedigend is het, dat onze hemelse Vader kristalhelder in Zijn Woord heeft uitgelegd, wat Zijn doel is met ieder van ons. Nu is het de tijd om u ervan te vergewissen, op gezag van Zijn eeuwig Woord, wat Zijn doel is met uw persoonlijk leven."En God zeide: Laat Ons mensen maken naar ons beeld" (Gen. 1:26).
De eerste Adam, het hoofd van het menselijk geslacht, werd gemaakt naar Gods beeld wat persoonlijkheid, verstand, gevoelens, wil, enz. betreft, zodat er gemeenschap en samenwerking tussen hen kon zijn. God als de Soevereine, en de mens als ondergeschikte - ondergeschikt aan Zijn wil, hetgeen juist volmaakte vrijheid geeft!

Maar we weten dat Adam verleid werd en zijn eigen weg koos in plaats van Gods weg. Hij steunde op zichzelf en had alleen liefde voor zichzelf. Hij was zelfgericht in plaats van op God gericht. Zo werd hij dood voor God, Die de bron van alle leven is, dood in overtredingen en zonden. In deze toestand "verwekte Adam een zoon naar zijn gelijkenis, als zijn (gevallen) beeld" (Gen. 5:3). Zo verwekte hij een zondig, ongoddelijk, egocentrisch geslacht, dood-geboren in overtredingen en zonden (Ef. 2: l).
"God ... heeft in het laatste der dagen tot ons gesproken in de Zoon. Deze, de afstraling Zijner heerlijkheid en de afdruk van Zijn wezen" (Hebr. 1: 1-3). Hier is het beeld Gods, de afdruk van Zijn wezen terug op aarde, de Persoon van onze Here Jezus Christus, Gods laatste Adam (1 Kor. 15:45-47).

Door onze natuurlijke geboorte behoorden we tot het gevallen, zondige geslacht van de eerste Adam. Onze overgang van het oude zondige geslacht naar het nieuwe goddelijke geslacht heet wedergeboorte.
Toen we wederom geboren werden, door onze bekering tot God en door geloof in de Here Jezus (Hand. 20:21), werden we in Hem geboren - Hij werd ons leven (Kol. 3:3,4).
"Gij werd uit den wilden olijf, waartoe gij naar uw natuur behoort weggekapt en tegen uw natuur op den edelen olijf geënt" (Rom. 11:24). "Want, gelijk door de ongehoorzaamheid van één mens zeer velen zondaren geworden zijn, zo zullen ook door de gehoorzaamheid van één zeer velen rechtvaardigen worden" (Rom. 5:19).

Onze Hemelse Vader voert nog steeds Zijn plan uit om de mens naar Zijn beeld te maken. Hoewel Zijn plan gelijk is gebleven, gebruikt Hij niet de oorspronkelijke mens om het tot stand te brengen. Alles is nu geconcentreerd in de laatste Adam, onze Here Jezus. In Hem geboren door geloof, zijn we deelgenoten geworden van de goddelijke natuur (2 Petr. 1:4). En daar de Here Jezus Zichzelf door uw persoonlijkheid heen wil uitdrukken, zal deze arme zondige wereld in u Christus zien, de hoop der heerlijkheid (Kol. 1:27).

In 1 Kor. 15:49 geeft Paulus ons de bemoedigende belofte: "En gelijk wij het beeld van de stoffelijke (Adam) gedragen hebben, zo zullen wij het beeld van de hemelse (Christus) dragen!", en in Rom. 8:28-29 verzekert hij ons: "Wij weten nu, dat God alle dingen doet medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben, die volgens Zijn voornemen geroepenen zijn. Want die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook te voren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld Zijns Zoons "

Hier is het goede, waarvoor God alle dingen doet medewerken: Zijn oorspronkelijk plan ons te maken naar Zijn beeld, samengevat en uitgedrukt in Zijn Zoon, Christus, die ons leven is. Paulus' vaste besluit voor elk van zijn bekeerlingen was: "Mijn kinderen, terwille van wie ik opnieuw weeën doorsta, totdat Christus in u gestalte verkregen heeft" (Gal. 4:19).

De sleutel tot een gezonde geestelijke groei is de feiten van Rom. 8:28-29 te kennen en daarop te blijven steunen. Als wij zien, dat alle dingen medewerken om ons meer en meer aan de Here Jezus gelijkvormig te maken, zullen we niet gefrustreerd en van streek raken, als er dingen moeilijk te begrijpen zijn, als ze zwaar zijn of een element van dood bevatten. Dan kunnen we in onze Here Jezus rusten en tot onze Vader zeggen: "Uw wil geschiede".

Onze voortdurende geloofshouding zal zijn: "Wil Hij mij doden, ik blijf op Hem hopen" (Job 13:15). Dit is ons toelatingsexamen voor geestelijke volwassenheid! "En wij allen, die met een aangezicht, waarop geen bedekking meer is, de heerlijkheid des Heren weerspiegelen, veranderen naar hetzelfde beeld van heerlijkheid tot heerlijkheid, immers door de Here, die Geest is" (2 Kor. 3:18).

Maar ook al weten we, wat Gods doel met ons leven is, het komt erop aan, dat we weten, hoe we er hiér en nú deel aan kunnen krijgen.

Eén van Gods meest doeltreffende middelen hiertoe is mislukking. Zovele gelovigen zijn buiten zichzelf over de mislukkingen in hun leven. Ze proberen ze ten koste van alles te verbergen of verstandelijk te verklaren. En al die tijd weerstaan ze het belangrijkste instrument in de handen van de Vader om hen te vormen naar het beeld van Zijn Zoon! Falen van het zelf-leven in onze christelijke dienst wordt door God toegelaten en dikwijls zelfs bewerkt om ons totaal af te wenden van onszelf en ons te brengen tot de bron voor ons leven: Christus Jezus, die nooit faalt

Verheugt u, lieve vrienden, in uw nood en honger, want God zegt: "Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden " (Mat. 5:6). Als wij, in onze hopeloze nood, voortdurend en met liefde zien op onze Here Jezus, zoals Hij ons geopenbaard wordt in het Woord, zal de Heilige Geest in stilte en zonder inspanning van onze kant het wezen en de bron van ons leven veranderen van zelf-leven tot Christusleven, zodat voor een ieder van ons geldt: "Niet ik, maar Christus ".

Er bestaat een natuurlijke wet, dat wij gevormd worden naar datgene, waarop wij onze interesse en liefde richten. Bedenk eens, hoe stripboeken, radio, t.v. en film onze generatie hebben beïnvloed. En hoe staat het met de gelovigen? Als we ons aangetrokken voelen tot deze boze wereld, worden we in toenemende mate werelds. Als we onszelf vertroetelen en alleen voor onszelf leven, worden we meer en meer egocentrisch. Maar als we op Jezus Christus zien, worden we meer en meer Hem gelijk.

Maar als ik Hem gelijk zal worden, dan moet God dit in Zijn genade bewerken. Hoe eerder ik dit erken, des te eerder zal ik bevrijd worden van een nieuwe vorm van slavernij. Geef elke poging op en zeg: ik kan het niet. Hoe meer ik het probeer, hoe verder ik af sta van Zijn gelijkenis.

Wat moet ik toch doen? De Heilige Geest zegt: u kunt het niet. Houd er maar mee op. U bent in de arena geweest. U hebt het als maar geprobeerd, u bent een mislukkeling. Kom uit het strijdtoneel. Zie op Christus. Probeer niet meer Hem gelijk te worden, zie slechts op Hem. Richt u op Hem. In plaats dat u helemaal in beslag genomen wordt door dat proberen, laat u door Hem leiden. Aanschouw Hem, zie op Hem in Zijn Woord. Lees het Woord met één doel voor ogen, namelijk de Heer ontmoeten. Niet om het hoofd vol kennis te stoppen. Maar om de Heer te ontmoeten, om Zijn gemeenschap te zoeken.

Zegt u tegen Hem: maak mij geschikt, vorm mij voor U? Strek dan uw lege handen naar Hem uit en word stil. 0 rusteloze ziel, u hindert de Heilige Geest door uw moedige pogingen en uw standvastige wil. Zie de bloemen in hun zomerpracht staan, stil aanschouwen zij de pracht van de zon. Zo wordt het lieflijke werk in hen gedaan. Blij rusten zij in de koestering van de zonnestralen en zo bloeien zij open. Zo zijn ook Gods lieflijkheid en vreugde voor u bestemd. Van Hem is de liefde voor u! Van Hem is het werk in u!

"Want God is het, die om Zijn welbehagen zowel het willen als het werken in u werkt" (Fil. 2:13). En wat is Zijn welbehagen, waarom Hij in ons werkt? Hij werkt in alles voor dit ene doel: "Opdat ook het leven van Jezus zich in ons sterfelijk vlees openbare" (2 Kor. 4:11). Dit is het leven: "Want het leven is mij Christus" (FiI. 1:21).

Naar boven.


Voorbereiding (5)

Als wij eenmaal Gods eeuwige Plan en doel voor ons leven kennen en ook Zijn werkwijze om tot dat doel te komen, komt er rust en vertrouwen. Nu is het zo, dat Gods eerste voorwaarde voor groei nood is. Zonder persoonlijke nood is er geen groei in ons christenleven. De reden, dat onze Vader nood toelaat in ons leven, is dat Hij ons wil leren afzien van alles wat buiten Christus is, opdat Hij alleen liet middelpunt wordt: "Niet ik, maar Christus".

Zowel voor onze groei als onze dienst is het buitengewoon belangrijk, dat wij dit principe zien en begrijpen. Wij kunnen de levende kracht van de Waarheid alleen maar in ons opnemen, als wij Die dringend nodig hebben. Wat onze groei betreft, de nood zorgt ervoor, dat we ons gaan uitstrekken naar onze Here Jezus en ons in geloof gaan toe-eigenen, wat nodig is. Wat onze dienst, getuigenis en hulp aan anderen betreft, moeten wij uitzien naar en wachten op hongerige, behoeftige harten, wil er tenminste een blijvende vrucht zijn.

Menselijke wijsheid en filosofie hebben God nog nooit ontdekt. Hij maakt Zichzelf aan ons bekend door onze noden. In de behoefte ontdekken we Hem. Ik betwijfel ten zeerste, of we ooit echt iets op een andere wijze leren. In dit licht gezien, zijn onze noden van onschatbare waarde. Nood zorgt voor een geestelijke honger, waarin slechts de Here Jezus Christus kan voorzien. Wat is het waardevol, als een ieder van ons Mat. 5:6 persoonlijk zou gaan verstaan: "Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden".

Maar al te dikwijls worden gelovigen aangespoord en zelfs onder druk gezet, om te groeien, voordat zij zich intens bewust worden van hun nood en echt geestelijke honger hebben. Ook in de gevallen, waar er wel echte honger des harten is, wordt er veelal weinig geestelijk voedsel verstrekt. Eén van de voornaamste redenen voor het feit, dat er weinig of geen resultaat is in veel evangelisatiewerk, is dat waarheden aan het slachtoffer worden opgedrongen om maar gered te worden, zonder dat hij er zich echt van bewust is, dat hij verloren is. Er zal spoedig niets van zulk werk overblijven, tenzij een overweldigende overtuiging van zonde de verlorene ertoe brengt zich in persoonlijk geloof uit te strekken naar zijn Heiland voor de volledige voorziening van al zijn nood.

De Here heeft ons hier niet in de eerste plaats gesteld om te preken of soortgelijk werk voor Hem te doen. Hij wil ons hier in de eerste plaats gebruiken om honger op te wekken in anderen. Geen echt werk zal ooit kunnen beginnen, als er geen gevoel van nood geschapen is. Wij kunnen dat anderen niet geven. Wij kunnen de mensen niet aansporen tot honger. Die honger moet geschapen worden en dat kan alleen door hen, die het stempel van God dragen. Bij de voorbereiding moet er eerst afgebroken worden, voordat er opgebouwd kan worden.

"Kom laat ons wederkeren tot den Here. Want Hij heeft ons verscheurd en zal ons helen; Hij heeft geslagen en zal ons verbinden" (Hos. 6: 1). Dit slaat zowel op de groei als op de dienst. Het is zo verkwikkend, dat God zonder uitzondering de roep om een herder voor anderen te zijn geeft aan degenen, die de diepten van de mislukking zelf hebben gepeild. Dit is geen roeping voor begaafden of voor hen, die een goede scholing hebben genoten of die een hoog peil van beschaving hebben. Zonder een bittere ervaring van eigen ontoereikendheid en armoede zijn ze volslagen ongeschikt om de last van een geestelijke bediening te dragen. Iemand kan pas geduld hebben met de zwakke punten van anderen, als hij zijn eigen zwakheid ontdekt heeft. Zo iemand kent uit de eerste hand de liefdevolle zorg van de Opperherder, Die hem of haar wil genezen, die nederig op Hem - op Hem alleen - zijn vertrouwen heeft gesteld. Daarom wanhoopt hij ook niet gauw aan anderen, maar ziet verder dan menselijke zondigheid, koppigheid en domheid naar de macht van Gods onveranderlijke liefde.

De Here Jezus heeft de opdracht: "Wees een herder voor Mijn lammeren ... voor Mijn schapen" niet gegeven, nadat Hij Petrus zijn zelfverzekerde belijdenis van onsterfelijke trouw had gehoord. Maar hij geeft die, nadat Petrus volkomen gefaald heeft zijn plechtige belofte te houden en bitter geweend heeft in de straten van Jeruzalem. Ja, er zal een diepe, grondige en langdurige voorbereiding moeten zijn, wil er werkelijk leven ontstaan:

Christus centraal in ons leven, onze wandel beheerst door de Heilige Geest, onze dienst tot verheerlijking van God. Vroeg of laat begint de Heilige Geest ons bewust te maken van ons voornaamste probleem als gelovigen, het oneindig verschil tussen het zelf-leven en het Christus-leven.
Behalve hen, die zoeken naar vergeving, naar rechtvaardiging, zijn er ook zwoegers, die wanhopig zoeken naar heiligmaking - naar persoonlijke heiliging - naar de bevrijding van de macht van de oude Adam. Hun belooft Christus net zo goed als degenen, die naar vergeving zoeken: "Ik zal u rust geven; neemt Mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; want Mijn juk is zacht en Mijn last is licht" (Mat. 11:28-30).

Het is zeer wel mogelijk, dat iemand, nadat hij de rust van de rechtvaardiging door het geloof in Christus heeft gevonden, in een toestand van diepe nood komt, wat de heiligmaking betreft. Bijna iedere gelovige kent die ervaring. God bereidt ons voor door het doen ontstaan van de strijd, dat we ons zelf-leven zien, zoals het is, en dan zelf gaan proberen om van de kwade macht en invloed ervan bevrijd te worden. Want er is geen hoop op een voortdurend blijven in de Here Jezus, zolang we onder de beheersing van het zelf-leven zijn, "waarin geen goed woont" (Rom.7:18). Zolang we nog baby's zijn, kunnen we niet voortdurend in Gods tegenwoordigheid verkeren. Ons geestelijk leven groeit en gedijt niet, als we Hem alleen in vlagen van ijver dienen. Ook worden we niet gelaafd door de nabijheid des Heren, als we onverschillig zijn. Pas als we Hem onderworpen zijn, gelouterd en getuchtigd, als de liefde voor het zelf-leven en voor de wereld verdwenen is, kunnen we leren om te allen tijde met Hem verbonden te zijn, waar we ons ook bevinden.

De waarde van deze worsteling om onszelf te bevrijden van het oude Adamsleven en de vruchteloze pogingen het leven van de nieuwe mens - het Christus-leven - te ervaren, ligt hierin, dat we tenslotte gaan beseffen dat dit soort strijd volslagen nutteloos en absoluut tevergeefs is. Onze persoonlijke, hartverscheurende mislukking in elk onderdeel van ons christenleven is het voorbereidende werk van de Vader met ons. Dit negatieve werk van Hem voert ons tenslotte tot Zijn positieve belofte van Fil. 1:6: "Hiervan toch ben ik ten volle overtuigd, dat Hij, die in u een goed werk is begonnen, dit ten einde toe zal voortzetten, tot de dag van Christus Jezus".

Zijn goede werk in ons begint met mislukking, zelfs op onze sterkste kanten, en leidt dan tenslotte tot Zijn succes, Zijn welslagen en niet dat van ons. "Want God is het, die om Zijn welbehagen zowel het willen als het werken in u werkt" (Fil. 2:13). Het lijdt geen twijfel, dat we, alleen op basis van louter genade begonnen, op deze zelfde basis verder moeten gaan:"Staat dan in de vrijheid waarmee Christus ons vrijgemaakt heeft" (Gal. 5:1).

Het leven zonder krachtsinspanning is niet een willoos leven. We moeten onze wil gebruiken om te geloven en te ontvangen, maar niet om door uiterste inspanning tot stand te brengen, wat alleen God kan doen.

Onze hoop op overwinning over de zonde is niet: Christus plus mijn inspanningen. Maar het is Christus alleen, door Wie ik mag ontvangen.

Overwinning van Hem ontvangen betekent Zijn Woord geloven, dat Hij enkel en alleen door Zijn genade ons nu al wil bevrijden van de heerschappij der zonde. In Hem geloven is erkennen, dat Hij voor ons doet, wat wij zelf niet kunnen.

We hebben dit principe geleerd, toen we wedergeboren werden, en het lijkt, dat we het weer helemaal opnieuw moeten leren voor onze geestelijke groei en dienst. Vrees niet, mijn vriend. Houd vast aan het doel, dat God met u heeft in Christus. Hij zal u trouw leiden van stap tot stap in alle noodzakelijke voorbereiding. Hij zal het zeker doen. Zodra u zeker bent van Gods doel met u, kunt u even zeker zijn van Zijn voorbereiding in u.

Denk er aan, dat de verzen 28 en 29 uit Rom. 8 bij elkaar horen: God doet alle dingen ten goede medewerken voor Zijn kinderen om ze gelijkvormig te maken aan Zijn Zoon. Dank God voor de belofte van Fil. 1:6, dat Hij het werk, dat Hij in u begonnen is, zal voleindigen.

De Here wordt verheerlijkt in een volk, waarvan het hart ondanks alles op het doel gericht is, op God Zelf. Iemand met deze gezindheid zegt: langs welke weg dan ook! Al is de weg zeer moeilijk, aan alle kanten omgeven door vijanden, het hartstochtelijk verlangen het doel te bereiken zal hem onwrikbaar maken. Maar hij, die niet dat diepe verlangen heeft om God te kennen, zal van de weg afraken.

Langs die weg is de Mens Christus Jezus ons voorgegaan, en op elk punt heeft Hij voor ons overwonnen. We hoeven niet op te klimmen. We hoeven Hem slechts te volgen in Zijn overwinning.

Elke vijand is al verslagen. Er is niets, wat niet onder Zijn voeten is gesteld, er is niets meer in het heelal, dat het geringste kind van God kan verslaan, als hij de hand van de Here vasthoudt en zegt: Here, breng me er doorheen naar de plaats, waar Gij zijt, op grond van het bloed, waarmee Gij binnengegaan zijt in het heiligdom. De Here wordt verheerlijkt door een wandel vol rustig vertrouwen, ook op de dag van tegenstand, de dag van vrees, als de dingen om ons heen schudden en beven.

"Genade en vrede worde u vermenigvuldigd door de kennis van God en van Jezus, onze Here. Zijn goddelijke kracht immers heeft ons met alles, wat tot leven en godsvrucht strekt, begiftigd door de kennis van Hem, die ons geroepen heeft door Zijn heerlijkheid en macht, door Deze zijn wij met kostbare en zeer grote beloften begiftigd, opdat gij daardoor deel zoudt hebben aan de goddelijke natuur" (2 Petr. 1: 24)

Naar boven.

Volmaakt in Hem (6)

Laten we verder gaan met de uiteenzetting van de fundamentele feiten van het geloof. De jeugd heeft de neiging om eerst te handelen en later pas na te denken. Volwassenen hebben geleerd de tijd te nemen om de feiten op hun waarde te schatten. Onze geduldige Landman is bereid ons tijd te geven om de eeuwige feiten te leren, zonder welke we niet tot volwassenheid kunnen komen.

Onze Here Jezus gebruikt dikwijls verschijnselen uit de natuur om ons de diepste geestelijke waarheden te onderwijzen. Hij leert ons eerst omtrent ons natuurlijke leven uit Adam, voordat wij ons nieuwe geestelijke leven in Christus kunnen verstaan en waarderen. Dit omvat ook het vitale principe van de bron, waaruit leven voortkomt, of zoals Gen. 1 zegt: "naar zijn aard". Een leven kan nooit beter zijn dan de wortels, de bron ervan. Elke gelovige leert eerst, dat hij net zo is als Adam: hij is uit hem voortgekomen. "Want, gelijk door de ongehoorzaamheid. van één mens zeer velen zondaren geworden zijn" (Rom. 5:19). "Want ik weet, dat in mij, dat wil zeggen in mijn vlees, geen goed woont" (Rom. 7:18). Wanneer de Here ons door onze mislukkingen en ons worstelen onderwezen heeft over het natuurlijke, zijn we klaar om te leren omtrent onze geestelijke Bron. "Door de gehoorzaamheid van Eén, worden zeer velen rechtvaardigen" (Rom. 5:19). "Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk, en gij hebt die volheid verkregen in Hem" (Kol. 2:9- 10). Er zijn twee belangrijke kanten aan dit principe van de bron. In de eerste plaats is de Here Jezus de Bron van ons christelijk leven. We werden in Hem geboren. God heeft, ons volmaakt gemaakt in Hem. Deze waarheid moeten we door het geloof vasthouden. Zij geldt voor iedere gelovige:"Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping" (2 Kor. 5:17). In de tweede plaats, als wij door geloof aan dit feit vasthouden, gaan we deze waarheid in de werkelijke praktijk van dag tot dag steeds meer ervaren. Beetje voor beetje ontvangen we, wat we reeds in Christus bezitten. Het is zo ontzettend belangrijk, dat we zeker weten, dat alles het onze is en dat we nu volmaakt zijn in Hem. Dit feit geeft ons rust, terwijl God geduldig dat leven, dat met Christus verborgen is in Hem, in ons uitwerkt. Vooruitgang betekent groeien in de kennis van de Here Jezus en van alles, wat we vanaf de aanvang al in Hem bezitten. Daar we volmaakt zijn in onze Here Jezus, helpt het niet, als we proberen iets aan dat volbrachte werk toe te voegen. Het gaat er nu om te wandelen door geloof en te ontvangen uit de overvloedige Bron. Christus' opstanding houdt ook in onze opstanding tot een leven van heiligheid, net zoals Adams val onze val betekende in een geestelijke dood. Wijzelf hebben die nieuwe heilige natuur niet gemaakt, net zo min als we de gevallen natuur gemaakt hebben. Door éénwording met Christus krijgen we deel aan dat leven in de Geest, dat Hij voor ons verworven heeft door Zijn dood en opstanding, Daardoor kunnen wij de vruchten ervan voortbrengen, zoals de Schrift dit duidelijk maakt met het voorbeeld van de eenheid in het huwelijk: "om het eigendom te worden van een Ander, van Hem, Die uit de doden opgewekt is, opdat wij Gode vrucht zouden dragen" (Rom 7:4). Ons aandeel is niet het verwekken, maar het ontvangen van leven in Christus: geloof hebben in Hem en Zijn doel voor ons leven, en volhardend vertrouwen, dat Hij ons door alles heen leidt en vormt. 

Geen enkele gelovige is ooit zo maar het stadium van volwassenheid binnengerold, ook al is hij volmaakt in Christus. Geestelijke groei vereist een honger van het hart naar de Here Jezus en ook de vastbeslotenheid om dat te verkrijgen, wat ons deel is in Hem. Het vereist ook overdenking en overpeinzing. We zullen nooit onze geestelijke bezittingen leren kennen door een oppervlakkig begrip van het Woord. Hoe kunnen we ooit verwachten, dat we intieme gemeenschap zullen hebben met Iemand, van Wie we weinig weten? Wat we nodig hebben is een geest, waarin God Zijn eigen Geest en Leven zo kan openbaren, dat we die persoonlijk aanvaarden om gevormd te worden tot een man of vrouw Gods. Het goddelijk leven moet echt in een ieder van ons gestalte krijgen. De gehele volheid van God is geopenbaard in de menselijke Persoon Jezus Christus, de Middelaar. Als Christus binnenkomt in een mens, wordt de kiem van goddelijk leven in hem geplant. Een zaad bevat alle kenmerken van het leven, waar het uit voort is gekomen. Het is al volledig en er kan niets aan toegevoegd worden,"wedergeboren, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijkzaad" (1 Petr. 1:23). "Uw akker zult gij niet tweeërlei zaad bezaaien" (Lev. 19:19). Het moet worden: "niet ik, maar Christus" Het zaad is geplant. Nu gaat het alleen nog maar om groei en volwassenheid. Dit alleen brengt vrucht voort, die blijvend is.
De ontwikkeling van het goddelijke leven in een christen verloopt net zoals de natuurlijke groei in de plantenwereld. We hoeven geen speciale pogingen te doen, alleen ons over te geven aan de omstandigheden, die voor de groei gunstig zijn. Slechts iemand, die geprobeerd heeft te groeien door eigen inspanning en toen gefaald heeft, is doordrongen van de waarheid, dat God alleen de wasdom geeft. Alle krachten der Godheid, die het eerste deel van Gods eeuwig voornemen tot stand hebben gebracht, namelijk de volmaakte gelijkenis van de Mens Christus Jezus met de Vader, zullen op dezelfde wijze het tweede deel uitwerken: die gelijkenis in een ieder van Gods kinderen. Een wortel, geplant in de fijnste grond, in het beste klimaat en gezegend met alles wat zon, lucht en regen kunnen doen, kan niet zo zeker zijn van zijn groei tot volmaaktheid als een gelovige, die zich met heel zijn hart uitstrekt naar alles, wat God hem wil geven. Niet alleen is ons leven volmaakt in Hem, maar eveneens is de overwinning al voorhanden in al de noden in dit leven. Als u strijdt om de overwinning te behalen, hebt u de strijd al verloren, zodra u begint. Denkt u zich eens in, dat de vijand u aanvalt, b.v. in uw gezin of op uw werk. Hij schept een situatie, waar u onmogelijk tegen opgewassen bent. Wat doet u nu? Uw eerste neiging is om u op een zware strijd voor te bereiden en daarna God te bidden, dat Hij u de overwinning zal schenken. Maar als u dat doet, bent u zeker van de nederlaag, want u hebt de grond verlaten, waarop u bij Christus geplaatst bent. Door de houding, die u aangenomen hebt, hebt u deze grond verlaten en u overgegeven aan de vijand. Maar wat moet u doen, als hij u aanvalt? U moet eenvoudig opzien naar boven en de Heer prijzen: Here, hier is een situatie die ik niet aan kan. Uw vijand, de duivel, wil hierin mijn ondergang bewerken, maar ik prijs U, dat Uw overwinning een allesomvattende overwinning is, ook voor deze situatie. Daarom wil ik het alles in Uw handen leggen. Wilt U voor mij strijden? Ik loof U, dat Uw overwinning in deze zaak vaststaat!

Naar boven.

Toe-eigening (7)

Al ónze pogingen om God te verstaan, falen, maar kunt u zich met mij verblijden, dat al de schatten der wijsheid en der kennis in Christus verborgen zijn (Kol. 2:3)? De Here verlangt ernaar ons te bemoedigen, ons geloof op te bouwen en Zijn beloften in ons leven werkelijkheid te maken. Toe-eigening is een belangrijk onderwerp. Het gaat erom datgene in de praktijk te ontvangen, waarvoor we onze God in geloof kunnen vertrouwen. Dat we eerst enkele aantekeningen willen plaatsen, vloeit voort uit onze, opdracht om, naar het licht, dat de Here schenken wil, zo behoedzaam en zorgvuldig mogelijk te zijn in onze onderwijzing. Een onderwerp als dit is bij uitstek geschikt om menselijke activiteit op te wekken, en we kennen onze eigen geneigdheid daartoe. In de Bijbel ontmoeten we vele opwekkingen om in het geloof te wandelen, maar de woorden 'zich iets toe-eigenen' komen in dat verband niet voor. Het woordenboek geeft als omschrijving van deze term: zich in het bezit stellen van, meestal wederrechtelijk. Deze beide feiten geven temeer reden tot waakzaamheid. Het komt vaak voor, dat wij, mensen, de dingen van God willen grijpen en neerhalen naar ons menselijk vlak. In onze handen worden ze tot een systeem, een methode, een karikatuur, waar de hel om lacht. God daarentegen zoekt ons in te leiden in Zijn wereld, waar we vinden, dat al Zijn beloften in Christus ja en amen zijn. Zo wij in Christus zijn, leren wij Hem kennen en Zijn woord verstaan. "Te dien tijde hief Jezus aan en zeide: Ik dank U, Vader, Heer des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt, doch aan kinderkens geopenbaard." (Matt. 11:25). Toe-eigening behoeft bepaald niet te betekenen, dat we er iets bij krijgen. Maar iets, wat er normaal behoort te zijn, gaat ook functioneren. Om ons iets eigen te maken voor onze dagelijkse wandel in Christus, zijn er twee wezenlijke dingen nodig: zien, wat Christus voor ons verworven heeft, en ons bewustzijn, dat we dat nodig hebben. 

Van deze twee factoren hangt het af, of we in de juiste toestand zijn om - in standvastig geloof - te ontvangen, wat in de Here Jezus Christus ons deel is. Aangaande het eerste, het zien van wat reeds ons deel is: in de eerste drie hoofdstukken van de Efeze-brief vraagt Paulus niets anders van de gelovigen dan te luisteren naar die wonderlijke opsomming van grote en eeuwige feiten, die voor hen gelden. Pas als hij al deze werkelijkheden genoemd heeft, vraagt hij hun iets te doen. En als hij zijn pleidooi voor een verheven wandel als heiligen begint, is alles gebaseerd op de openbaring die hij daarvoor heeft gegeven aangaande de feiten van hun hoge roeping en bestemming als heiligen. "Als gevangene in de Here, vermaan ik u dan te wandelen waardig der roeping, waarmede gij geroepen zijt," (Ef. 4: l).

Laten wij ophouden aan de heiligen lange lijsten met voorwaarden voor te leggen om in het leven van Christus te kunnen intreden, maar laten we hun tonen, wat hun positie, hun bezittingen en hun voorrechten in Christus reeds zijn. Dan zullen wij waarlijk met de Heilige Geest samenwerken, en meer, ja veel meer, blijvende vrucht zien onder Gods volk. Zien we eenmaal, wat wij in Christus Jezus hebben, dan zal onze nood ons ertoe brengen het antwoord op die nood te ontvangen, ons dat toe te eigenen. Voortdurend was de Geest van Jezus Christus beschikbaar voor Paulus, en zo kon Christus in hem verheerlijkt worden. De voorziening was er voortdurend, maar werd pas naar waarde geschat en toegeëigend op het moment, dat de apostel zich de behoefte daarvan bewust werd. Het is de bedoeling, dat we in ons leven voortdurend ontdekken, dat we Christus nodig hebben. Elke keer, dat we hiervan opnieuw doordrongen worden, betekent voor God een nieuwe mogelijkheid om in onze nood te voorzien. Dit is de verklaring van zoveel, dat we anders onmogelijk kunnen verstaan. Bij dit voortdurend komen in nieuwe beproevingen kan slechts een nieuwe vervulling met de Geest van Jezus Christus onze nood lenigen. Als wij ons dan de genoegzaamheid van Christus voor onze innerlijke nood bewust worden, is er een nieuwe uitstraling van Zijn heerlijkheid door ons heen. Deze twee dingen, zien en nodig hebben, brengen ons van een hulpeloos ronddwalen naar een verantwoordelijke en vaste geloofswandel. Ze brengen ons vanuit de vraag om hulp tot dankzegging. "Gezegend zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, Die ons met allerlei geestelijke zegen in de hemelse gewesten gezegend heeft" (Ef. 1:3).  

Meermalen bepaalt de Heilige Geest ons met grote klem bij een bepaald aspect van Gods Woord, waarvan we met blijdschap zien en geloven, dat dit in Christus ons deel is. Het kan b.v. de belofte van Matth. 11:28 zijn: "Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven". Behalve de gewone persoonlijke moeilijkheden en onzekerheden, geven de strijd en de druk van wereldse omstandigheden de gelovige precies, wat nodig is om te blijven en te rusten in de Here Jezus. De nood is duidelijk. Als hij nu ook de rust in Hem ziet, dan is alles, wat nog nodig is: die rust aanvaarden! Tot zover is het dan in orde. De gelovige ziet, wat hij in Christus bezit, en de nood dringt hem om zich ernaar uit te strekken en in vertrouwen de benodigde rust te ontvangen. Deze toe-eigening moet gebaseerd zijn op een duidelijk, schriftuurlijk en vast vertrouwen. We moeten niet om iets verkeerds vragen. Maar nu komt de kritieke fase, de sleutel tot dit alles. In de meeste gevallen van toe-eigening is er een vrij lange wachtperiode tussen het aanvaarden en het ontvangen. Ons aandeel is dan geduldig op God wachten gedurende de periode, die Hij nodig heeft om in onze persoon en in ons leven uit te werken, wat wij ons in Christus hebben toegeëigend - in dit geval, Zijn rust, Zijn onwankelbaarheid, Zijn zekerheid en Zijn bescherming.

"Geen oog heeft het gezien, behalve Gij, o God, wat Hij doen zal die, die op Hem wacht"(Jes. 64:4). Tussen de daadwerkelijke toe-eigening en de praktische beleving ligt een uiterst belangrijke periode. Elk stukje waarheid, dat wij levend ontvangen, zal ons in een conflict brengen, en het zal daardoor extra bevestigd worden. Als er geen strijd over is geweest, dan zal het geen waarde in zich hebben. Neem maar welke positie dan ook, die de Here u vraagt om in te nemen. Als u die met Hem inneemt, hebt u daarin bepaalde ervaringen en zal er door de strijd een element aan toegevoegd worden. U hebt een positie ingenomen, jawel, maar u hebt die nog niet werkelijk verkregen. De werkelijke waarde ervan is nog niet gebleken. U ziet niet eerder de werkelijke betekenis ervan, voordat er een bepaalde strijd is geweest.

Als resultaat van het werk van Christus' kruis en opstanding wordt eeuwig leven door hen ontvangen, die geloven. Maar het geloof moet dit Leven, dat op zichzelf overwinnend, onvergankelijk en onvernietigbaar is, gaan uitwerken in de gelovige. Hij moet eruit gaan leven, de wetten ervan leren en ernaar veranderd worden. Er is al een beginsel in de gelovige, dat op zichzelf geen aanvulling behoeft. Wat de overwinning, de kracht, de heerlijkheid en de vermogens ervan betreft, kan er niets aan worden toegevoegd. Maar in de school van geestelijke ervaring, van leven naar de Geest, moeten we alles gaan ontdekken, wat dat leven inhoudt, het ons gaan toe-eigenen, en eruit gaan leven.

We hebben nu dus een derde element in onze toe-eigening gezien. Nadat wij onze bezittingen in Christus gezien hebben en ons van onze nood, bewust zijn geworden, moeten wij Hem daarna de benodigde tijd geven om dat, wat we ons toegeëigend hebben, in onze dagelijkse wandel uit te werken. Als wij de oplossing van onze nood proberen te vinden d.m.v. gesprekken, geestelijke boeken, bijzondere samenkomsten of door uit te zien naar een opwekking, dan zal die realiteit nooit komen. In deze ontwikkeling van de christen is er geen kortere weg. Er is geen snelle en gemakkelijke weg. De Landman vormt datgene in de gelovige, wat Hij door hem heen aan anderen wil meedelen. Om aan anderen Leven mee te delen, moet uit wat men zegt en doet, blijken wie men is. Want het is het welbehagen van de Vader geweest, dat in Hem (Christus Jezus) al de volheid wonen zou, opdat wij vervuld worden tot alle volheid Gods. Want ons leven is met Christus verborgen in God, opdat ook het leven van Jezus Zich in ons sterfelijk vlees openbare (Kol. 1:19; Hebr. 3:14; Ef. 3:19; Kol. 13; 2 Kor. 4:11).

Hoe dikwijls spreken wij wel bewonderend over de waarheden, die de Heilige Geest ons in het Woord laat zien, maar Zijn voornaamste doel is, dat wij er in geloof op gaan staan, met vertrouwen op Hem wachten en verwachten, dat Hij die dingen werkelijkheid in ons leven maakt. Een profeet is iemand, wiens leven veranderd is, waar God een werk in heeft gedaan, iemand, die het vormend werk van de Heilige Geest ervaren heeft. God kiest diegenen als profeten uit, in wie Hij reeds heeft uitgewerkt, wat Hij als Zijn boodschap voor deze tijd wil gebruiken. Kan Hij ook ons zo gebruiken?

Naar boven.

Vereenzelviging (8)

De moeilijkheid voor de gelovige, die Christus als zijn gerechtigheid kent, is niet de zondeschuld, niet de zonde, die hij als een last moet dragen, of een overtreding waarvan hij bevrijding zoekt, want hij weet dat God hem volledig de schuld en de straf voor de zonde heeft kwijtgescholden. Waar hij het moeilijk mee heeft, is de zonde als heerser. Om Gods weg van bevrijding te kennen uit de macht van de zonde, moet hij de waarheid van Rom. 6 gaan verstaan. Daar zien we wat God heeft gedaan, niet met onze zonden - want hierover handelt de apostel in de voorgaande hoofdstukken - maar met ónszelf, de dragers en de slaven van de zonde.

Hij heeft onze oude mens - ons oorspronkelijk zelf-leven - daar gebracht, waar Hij onze zonden bracht, namelijk op het kruis met Christus: "Dit wetende, dat onze oude mens met Hem gekruisigd is" (Rom. 6:6). De gelovige ziet daar niet alleen, dat Christus voor hem gestorven is (plaatsvervanging), maar ook dat hijzelf met Christus gestorven is (vereenzelviging). Evenals Christus is nu ook de gelovige voor de zonde gestorven, hij is één met Christus in de gelijkmaking aan Zijn dood (Rom. 6:15). Evenals de wetenschap, dat Christus voor onze zonde gestorven is, onmisbaar is voor onze rechtvaardiging, zo is de wetenschap, dat Christus, en wij mét Hem in de, gelijkmaking aan die dood, voor de zonde gestorven zijn, onmisbaar voor onze heiligmaking.

Kunt u ook zeggen: sinds Christus in mijn hart woont, ben ik zo gelukkig? Ik ben met Christus dood en begraven - ja, en ook opgewekt! Christus leeft nu in mij, en "het leven dat ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof van de Zoon van God, Die mij liefgehad heeft en Zichzelf voor mij overgegeven heeft". We moeten niet op deze waarheden en deze ervaring zien, alsof ze maar voor enkelen bedoeld zijn. Ze zijn het geboorterecht van elk kind van God, en niemand kan er buiten, zonder de Zoon van God te beschamen.

Tot hen, die weigeren of verzuimen zichzelf dood voor de zonde te rekenen, zoals God dit gebiedt, stellen wij de vraag: kunt u wel geloven, dat Christus inderdaad de schuld van uw zonde gedragen heeft, zodat u die schuld in de dag des oordeels niet meer zult tegenkomen? Alleen Gods Woord zegt u, dat Christus uw zonden in Zijn eigen lichaam, wegdroeg op het hout. En datzelfde Woord vertelt u, dat u (verbonden met Adam) met Christus bent gestorven, dat uw oude mens werd gekruisigd. Daarom deelt u, daar u in Christus bent, Zijn dood voor de zonde. Dus moet u uw huidige verhouding tot de zonde rekenen als die van Christus. In Hem bent u nu dood voor de zonde en levend voor God! De dood van Christus is Gods oordeel over de zondige natuur, De noodzaak voor zo'n oordeel en de vaststelling, dat dit nu volledig aan ons is voltrokken, worden ons in Romeinen 6:1-10 ontvouwd. Dit gedeelte is zowel de fundering als de sleutel tot een wandel in de Geest. De gelovigen in Christus werden met Hem één gemaakt aan het kruis, één in dood en opstanding. Wij zijn met Christus gestorven. Hij stierf voor ons en wij stierven met Hem. Dit is een groots feit en geldt voor alle gelovigen. Het kenmerk van de christen is de ervaring van het kruis. Niet alleen, dat Christus voor ons gestorven is, maar dat wij met Hem gestorven zijn. Wij weten, dat onze oude mens met Hem werd gekruisigd. De gelovige is met Christus in Zijn dood verenigd. In deze vereniging met Christus is het vlees, het lichaam der zonde - het gehele gevallen, door de zonde verdorven wezen met zijn verstand, wil en begeerte - veroordeeld en gekruisigd. Door het geloof rekent de gelovige zichzelf dood voor de zonde.

De eerste fase van ons geestelijk leven kan een grote en overstelpende vreugde zijn met een wonderlijk gevoel van bevrijding. In deze fase worden dikwijls sterke woorden gebruikt als totale verlossing en definitieve overwinning. Daarna kan er - en dikwijls gebeurt dat - een fase komen van innerlijk conflict en strijd. We zouden dit een Rom. 7 ervaring kunnen noemen. Onder de hand des Heren zal dit leiden tot een vollere kennis van de betekenis van onze vereenzelviging met Christus, zoals die in Rom. 6 is geopenbaard. Gelukkig is de mens, die al vroeg in deze dingen wordt onderwezen. Als niet erkend, verstaan en toegepast wordt, dat niet alleen Christus voor ons gestorven is, maar wij ook met Hem, dan blijft het zelf-leven nog steeds een overheersende factor in het leven van een christen.

Wie stierf er aan het kruis? Natuurlijk stierf onze Heiland aan het kruis, maar wie stierf daar nog meer? " Dit wetende, dat onze oude mens met Hém werd gekruisigd, opdat het lichaam der zonde teniet gedaan worde, opdat wij niet meer de zonde dienen..... Indien wij nu met Christus gestorven zijn, zo geloven wij ook dat wij met Hem zullen leven." (Rom. 6:6-8). God zegt feitelijk: Mijn kind, zoals u voor uw behoudenis op het plaatsvervangend werk van de Here Jezus rekent, ga dan nu een stap verder en reken erop, dat Hij u ook vertegenwoordigt om u van dag tot dag de overwinning te schenken. U gelooft, dat de, Here Jezus voor uw zonden gestorven is, omdat God dit gezegd heeft. Neem dan nu de volgende stap. Aanvaard door geloof het feit, dat u met Hem gestorven bent, d.w.z. dat uw oude mens met Hem gekruisigd werd.

Omdat Hij stierf, heeft de dood geen heerschappij meer over Hem, en door onze vereniging met Hem, zal de zonde - hoewel nog steeds in ons aanwezig - geen heerschappij meer over ons voeren. Onszelf dood rekenen voor de zonde in Jezus Christus, maakt hier nog geen feit van. Het is reeds een feit door onze éénwording met Hem op Golgotha. Als wij vertrouwen, dat dit waar is, dan zullen we dit feit ook gaan ervaren.

Naar boven.

Heiliging (9)

Het is goed om op verschillende punten de nadruk te leggen:

1. Nog nooit werd een gelovige d.m.v. geforceerde samenkomsten of door aanhoudende aansporingen tot gezonde geestelijke groei gebracht. Hiervoor moet
Gods Geest hem eerst toebereiden.
2. Gezonde voortgang is gebaseerd op het verstaan en het aanvaarden van alle geloofswaarheden in Christus.

Het beleven in de praktijk van alle geloofswaarheden blijft verborgen, behalve voor het behoeftige hart. Tenzij men zich bewust is van zijn nood om geestelijk te groeien, zal men nooit verder komen dan de geboorte-waarheden en baby in het geloof blijven:
"Daarom, laten wij de eerste beginselen over Christus achter ons laten, en verler gaan tot volwassenheid en niet telkens opnieuw een fundament van bekering leggen, van Ievenloze werken en geloof in God" (Hebr. 6: 1).

Het onderwerp 'heiliging' wordt blijkbaar door heel veel gelovigen volledig misverstaan. Velen, en wel in het bijzonder jonggelovigen, worden telkens opnieuw het slachtoffer op het punt van overgave of toewijding. De aansporing, die men meestal hanteert is: de Here Jezus gaf alles voor u, het minste wat u nu kunt doen, is alles van uzelf aan Hem geven. De gelovige wordt tot heiliging en overgave van zijn leven aan Christus vermaand en geprest, op basis van zijn dankbaarheid voor wat er voor hem op Golgotha gedaan is. In heel wat samenkomsten wordt dit principe toegepast. Hoe vaak wordt de gelovige niet naar voren gepraat, voor heiliging en opnieuw heiliging, overgave en hernieuwde overgave, toewijding en hernieuwde toewijding. Zo komt het, dat de gelovige na enige tijd bang wordt voor dat soort samenkomsten en prediking.

Er zijn een aantal redenen voor deze verwarrende teleurstellingen en mislukkingen, maar er zijn Gode zij dank ook schriftuurlijke antwoorden voor wie ze nodig hebben. In de eerste plaats is het niet te verwachten dat een gelovige slechts door overgave of toewijding komt van de eerste beginselen, zoals beschreven in Rom. 3 tot 5, tot de vollere kennis van het leven in de Geest, zoals beschreven in Rom. 8 en Rom. 12:1. Daartussen staat het zeer belangrijke onderwerp van vereenzelviging in Rom. 6 en 7, dat niet overgeslagen kan worden. Elke hongerige christen verlangt er naar om geheiligd en toegerust te worden voor een vruchtbaar leven. Vanaf het allereerste begin, totdat moeilijke ervaringen hem het tegengestelde leren, denkt de goedbedoelende gelovige, dat hij moet proberen dit met Gods hulp door persoonlijke heiliging tot stand te brengen. Hij probeert al worstelend vooruit te komen met als drijfveer de liefde, namelijk Hij deed dit alles voor mij, daarom moet ik dit doen voor Hem. Een oppervlakkige kennis van Gods plan leidt tot de overtuiging, dat, hoewel de rechtvaardiging Gods werk is door het geloof in Christus, heiliging en groei ons werk zijn, dat we - met de hulp van de Geest - moeten uitvoeren als resultaat van de dankbaarheid, die wij gevoelen voor de verlossing, die wij hebben ervaren. Maar de ernstige christen ontdekt al heel gauw, hoe weinig kracht er uit die dankbaarheid voortkomt. Als hij denkt, dat meer gebed hem de nodige kracht zal verschaffen, dan ontdekt hij, dat het gebed op zich, hoe onmisbaar ook, onvoldoende ondersteuning biedt. Dikwijls worstelt de gelovige jarenlang in deze hopeloze zaak, totdat hij luistert naar de onderwijzing van de Geest, Die telkens opnieuw Christus verheerlijkt en Christus openbaart als onze Heiliging, Die wij slechts in geloof kunnen aanvaarden.

God werkt het willen en Hij is gereed om het werk te doen (Fil. 2:13), maar dit wordt helaas door vele christenen verkeerd begrepen. Ze denken dat de wil, die ze hebben, genoeg is, en dat ze dan ook in staat zijn om het te volbrengen. Dit is niet waar. De nieuwe wil is een blijvende gave, een deel van de nieuwe natuur. De kracht om het werk te doen is geen blijvende gave, maar moet elk ogenblik vanuit de Heilige Geest ontvangen worden.

Alleen die mens, die zich van zijn eigen onmacht als gelovige bewust wordt, zal leren, dat hij door de Heilige Geest een heilig leven kan leiden. Het dankbaarheidsmotief als bron om daaruit het christenleven te leven en de Here te dienen, is wel hoog, maar het is onvoldoende, omdat het niet de motivatie is, die Zijn goedkeuring draagt.

We moeten de noodzaak gaan zien om vanuit het liefde-motief over te gaan op het levenmotief- "Hét leven is mij Christus" (Fil. 1: 21). Onze heiliging, overgave of toewijding zullen nooit stand houden, als ze voortkomen uit een ander motief dan Zijn leven in ons. Onze overgave op een andere basis zal eenvoudig betekenen dat we proberen ons zelfleven voor Hem te gaan leven. Zelfs al zou dit mogelijk zijn, dan zal Hij het niet accepteren, omdat in ons geen goed woont (Rom. 7:18). Daar komt bij, dat Hij het oude leven reeds aan het kruis ter dood heeft gebracht (Rom. 6:6; Gal. 2:20; 2 Tim. 2:1 l; 1 Petr. 2:24).

De moderne leer van heiliging, die neerkomt op de heiliging van de oude mens, probeert om het doodvonnis heen te lopen en leidt daarom tot verwarring en teleurstelling. Als u en ik echter in simpele nederigheid bereid zijn om het feit van onze dood met Christus te aanvaarden als onze dagelijkse basis voor leven en dienst, dan is er niets, dat de uitstroming van het nieuwe leven kan verhinderen om in de nood van dorstige zielen om ons heen te voorzien.

Hier ligt de kern van de zaak. De vraag is, welk leven er aan Hem wordt gewijd, het oude zelf-leven, of het nieuwe leven van Christus. God kan absoluut niets van het oude aanvaarden. Hij ziet en erkent alleen dat nieuwe leven, dat geworteld is in Zijn Zoon, Die ons leven is. Vandaar dat God maar één voorwaarde heeft voor onze heiliging: "Stelt u ten dienste van God, als mensen die dood zijn geweest, maar thans leven" (Rom. 6:13). Dit is onze enige grond, en van hieruit moeten wij onszelf dood rekenen voor de zonde, voor het zelf-leven, voor de wet en voor de wereld, maar levend voor God in de Opgestane Christus, om dan in nieuwheid des levens, het opstandingsleven, te wandelen (Rom. 6: 11,4).

Geeft uzelf aan God als levend vanuit de dood (Rom. 6:13). Dit is de ware plaats van heiliging. Als gelovigen zich aan God gaan toewijden, voordat zij hun vereniging met Christus in dood en opstanding hebben leren verstaan, betekent dit, dat ze alleen maar, de leden van de natuurlijke mens aan God aanbieden, die Hij niet kan aanvaarden. Alleen zij, die levend zijn vanuit de dood, d.w.z. die ten volle hun gelijk zijn aan Zijn dood, aanvaard hebben, worden gevraagd hun leden als werktuigen aan God te geven.

God vraagt ons om onze lichamen te stellen als levende offeranden voor Hem (Rom. 12: 1). Zolang wij dit niet gedaan hebben, is er niets anders dat wij kunnen doen. Let wel dat deze vermaning na Romeinen 6 komt. Er is een reden voor deze volgorde: de kruisiging komt voor de heiliging. Ongekruisigd zelf-leven weigert om geheiligd te worden. Hier ligt de oorzaak waarom zoveel mensen in alle oprechtheid telkens weer naar voren komen in samenkomsten en ongekruisigd zelf-leven aan God gaan toewijden. Hierom moet de waarheid van onze vereenzelviging zorgvuldig en duidelijk worden verkondigd en volledig worden verstaan. Zonder dat is er in het geheel geen heiliging mogelijk. Velen denken, dat vereenzelviging een bepaald leerstuk of accent is, een interessant onderwerp voor diepergravende conferenties.
Maar deze waarheden zijn niet iets speciaals. Ze zijn fundamenteel. Het zesde hoofdstuk van de Romeinen-brief is niet slechts één kant van de waarheid, maar de fundamentele waarheid, waarop iedere gelovige moet staan om iets van overwinning te kunnen smaken. De waarheid van onze vereenzelviging met de kruisdood van Christus, onze dood voor de zonde met Hem, onze gelijkvormigheid aan de dood als een graankorrel, die in de grond valt om te sterven, deze feiten gaan vooraf aan het overwinningsleven. Ze zijn er het fundament van. Ze zijn absoluut onmisbaar.

Zorgvuldige studie van de brieven van Paulus laat ons zien, dat ze geschreven zijn op basis van het kruis, zoals in Rom. 6 is uiteengezet: het feit, dat God de oude gevallen Adam aan het kruis overgeeft en er geen boodschap meer aan heeft. God handelt met alle gelovigen op basis van: "in Christus zijt gij gestorven". Maar het merendeel van de christenheid negeert dit feit. Ze doet, alsof de gevallen schepping, het zelf-leven, vatbaar is voor verbetering, en zo wordt de betekenis van het kruis, dat het oude Adamsgeslacht in de dood brengt, omdat er niets meer mee te beginnen valt, teniet gedaan.

Naar boven.

Het zelf-leven (10)

Eén van de belangrijkste factoren voor groei is de openbaring van het zelf-leven aan de gelovige door de Heilige Geest. Het zelf-leven is het vleselijke, zinnelijke, natuurlijke leven, het leven van de eerste Adam - "dood door overtredingen en zonden" (Ef 2: 1), voor God door en door verdorven (Gal. 5:19-21), het leven waarin in Gods oog geen goed woont (Rom. 7:18). Plato met zijn 'Ken uzelf' had maar voor de helft gelijk. Paulus met Gods "niet ik, maar Christus" spreekt de volle waarheid. Wie de Here Jezus en Zijn gemeenschap dieper leert kennen, zal ook tot ware kennis van zichzelf komen. Het gaat daarbij beslist niet om 'naar binnen kijken', zoals wij geneigd zijn te doen. Het is de Heilige Geest, Die het dagelijks leven gebruikt om ons de ware aard van onze eigen natuur te laten zien. Zo leert de gelovige het "niet meer ik, maar Christus". "Indien de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij op zichzelf, maar indien zij sterft, brengt zij veel vrucht voort" (Joh. 12:24). " Voortdurend worden wij aan de dood overgeleverd, opdat het Leven van Jezus zich in ons sterfelijk vlees openbare" (2 Kor. 4:12).

Al het opstandingsleven - Zijn opgestane leven! (Rom. 6:5-6) - komt voort uit de dood. Anders zou het geen opstandingsleven zijn. We moeten ons ten dienste stellen van God als mensen, die uit de dood levend geworden zijn (Rom. 6:13). Zolang we de bekering zien als een soort toewijding - de oude mens, die nu voor God wil gaan leven - zal het niet veel meer zijn dan een geestelijke miskraam. Zolang we nog maar weinig leven hebben, kan dat wel van de ene op de andere dag tot volle bloei komen, maar wat hier naar voren treedt, is niet het opstandingsleven, maar menselijke ijver en een krachtige persoonlijkheid. De tragiek is, dat het zelf-leven zich hierin goed thuis voelt en gedijt, zonder dat de ware aard ervan wordt herkend.

De gezonde nieuwe geboorte, die gebaseerd is op een diepe overtuiging van zonde en bekering tot God, ontwikkelt zich aanvankelijk klaar en krachtig met liefde en toewijding voor de Heiland. Maar weldra komt er een verziekend element in, dat de ziel terugtrekt naar zelf-gerichtheid, naar de wereld, naar de heerschappij van de wet en naar de zonde. Als we dit leren zien door de Heilige Geest, door de hartbrekende ervaring van onze volslagen zondigheid en van de heersende kracht van het zelf-leven in ons dagelijkse christenleven, wordt dit het middel, waardoor Hij ons brengt tot een diepere kennis van de Here Jezus. In de geboorte-periode was Jezus onze Heiland. Nu groeien wij op en wordt Hij onze Here en ons Leven: "Het leven is mij Christus". Geen gelovige zal echt de Here Jezus leren kennen als zijn leven, voordat hij door eigen ervaring het dodelijke zelf-leven diep binnen in zich heeft leren kennen.

Lang niet iedereen heeft de ervaring van Rom. 7 gehad, die pijnlijke strijd van verlangen te doen, wat we niet kunnen, van het verlangen om recht te doen en te ervaren, dat we het niet kunnen. Het is een grote zegen, als iemand in Rom. 7 komt en het ontzaglijke conflict, de strijd en de nederlaag, begint te beseffen. Want de eerste stap om uit deze strijd van het zevende hoofdstuk in de overwinning van het achtste te komen, is: het zevende hoofdstuk ingaan. Van alle behoeftige mensen zijn niet zij er het ergst aan toe, die een hartbrekende, kwellende strijd om overwinning doormaken, maar zij, die in het geheel geen strijd en geen overwinning kennen, maar genoegzaam verder sukkelen en niet of nauwelijks deelhebben aan alles, wat hun in Christus toebehoort.

Menige jonge christen, die niet is gewaarschuwd aangaande deze noodzakelijke, ontdekkingsreis, waar de Heilige Geest hem zeker in zal leiden, is tot een haast ongeneeslijke wanhoop vervallen, toen hij de zondigheid zag, die hij van nature bezit. In het begin heeft hij veel vreugde ervaren over de vergeving van zijn zonden en zijn aanneming door God, maar vroeg of laat begint hij te beseffen, dat het nog niet helemaal, goed zit, dat hij gefaald heeft en van die hoge norm, die hij zichzelf in het begin van zijn bekering had gesteld, is afgevallen. Hij begint iets van de ervaring te kennen, die Paulus zo aanschouwelijk beschrijft: "Want hetgeen ik wil dat doe ik niet, maar hetgeen ik haat, dat doe ik" (Rom. 7:15).

Als gevolg daarvan voelt hij, dat de bodem uit zijn christelijk leven geslagen is. Op dat moment fluistert de duivel hem toe, dat het voor hem geen zin heeft verder te gaan, omdat hij toch nooit in staat zal zijn om dat niveau te bereiken. Hij beseft nog niet, hoe gezond deze toestand juist is en dat deze verpletterende ontdekking slechts het voorspel is van een geweldige reeks verdere ontdekkingen, die God bedoeld heeft om hem eeuwig te verrijken. Ons hele leven door moet God ons onze volslagen zondigheid en nood tonen, voordat Hij in staat is ons in de ruimte van Zijn genade in te leiden, waarin wij iets van Zijn heerlijkheid gaan zien.

De openbaring van het zelf-leven gaat vooraf aan de openbaring van God. Dat is een principe zowel voor geestelijke geboorte als voor geestelijke groei. De gelovige, die door strijd en falen gaat, is degene, die met zorg en liefde en op zeer persoonlijke wijze door zijn Heer behandeld wordt. Hij wordt geleid door de - vaak jarenlange - ervaring van openbaring omtrent het zelf-leven en het in de dood brengen ervan. Dit is de enige basis om "Hem te kennen en de kracht van Zijn opstanding en de gemeenschap van Zijn lijden, aan Zijn dood gelijkvormig wordende" (Fil. 3: 10).

God werkt door schijnbare tegenstellingen. Succes komt via falen; het leven ontspringt vanuit de dood, enz. Het enige element, dat in het leven van de gelovige afbrokkelt, is dat, wat toch moet verdwijnen. Het nieuwe leven kan niet aangetast worden. Deze losmaking is iets, wat de gelovige zelf niet kan bevorderen: het zelf-leven zal nooit zijn eigen dood uitwerken. Hij moet er door de genade van de Heilige Geest worden ingeleid: in het falen, vernederend en volledig. "Want voortdurend worden wij, die leven, aan de dood overgeleverd, om Jezus' wil, opdat ook het leven van Jezus zich in ons sterfelijk vlees openbare" (2 Kor. 4: 11).

Het middel, dat de Geest kan gebruiken, kan een vriend(in) zijn, gered of niet! Gezondheid of ziekte. Duizend en één dingen, die in ons het kwade naar boven brengen, stellen ons uiteindelijk in staat om te zien, dat het christenleven is: "niet ik, maar Christus". Mensen of omstandigheden zijn nimmer de oorzaak van het falen. De reactie van het zelf-leven, dat is de oorzaak, en het ene probleem, dat opgelost moet worden, is: ik ben het, ik ben het, o Heer!

Velen van ons weten, wat het is om zich te verblijden in de genade van God, zonder veel van het karakter van het vlees te verstaan. Dikwijls zien we dat overdaad van vreugde in jonge bekeerlingen gepaard gaat met gebrek aan ernst, waardoor ze niet inzien, dat het vlees onveranderd is. In die periode wordt de genade van God aanvaard in een houding van zelfvertrouwen. Men doorziet het zelfleven nog niet en heeft weinig of geen besef van eigen onvermogen. Het onvermijdelijke gevolg is dan een val of een reeks van falen, waardoor het de gelovige langzamerhand duidelijk wordt, dat hij volkomen hulpeloos is en in zijn vlees tot niets in staat.

In hoe oneindig veel vormen verschijnt het zelf-leven. Sommigen zijn druk met hun goede zelf-leven, ze prijzen zichzelf voor hun voortreffelijkheden. Anderen daarentegen zijn zo druk met hun slechte zelf-leven. Altijd klagen ze over hun onvolmaaktheden en strijden met hun vlees, alsof zij het nog kunnen verbeteren. Wanneer zal het voor ons duidelijk worden, dat het vlees zo hopeloos slecht is, dat verbetering is uitgesloten? Het leven van Christus, dat God wil schenken, breekt door naar de mate, dat we het zelfleven leren prijsgeven.

Iemand heeft terecht opgemerkt: er zijn vele christenen, die wel afgescheiden zijn van de, wereld, maar niet afgescheiden van hun zelf-leven! Is het: reken uzelf zwak m.b.t. de zonde? Neen! Het gaat verder. Het is: reken uzelf dood voor de zonde (Rom. 6:11). Sommigen geloven, dat ze zeer zwak zijn. Maar wat houdt dat in? Dat ze toch nog een beetje kracht hebben. Maar wanneer een mens dood is, dan heeft hij geen kracht meer. Wij moeten handelen op grond van het feit, dat we dood zijn voor de zonde. Dan zullen we niet zeggen, dat het zo moeilijk is om de verzoeking te weerstaan. We zullen de laagste plaats innemen en zeggen dat het onmogelijk is. Maar we zullen weten, dat wat onmogelijk is voor het zelf-leven, mogelijk is bij God! We zullen onze plaats aan de opstandingszijde van het kruis innemen en zodoende zullen we het oude zelf-leven achter ons laten in ruil voor het nieuwe Christus-leven: leven in Hém, Die ons leven is.

Naar boven.

Zelfverloochening (11)

Als een gelovige iets van de afschuwelijke tirannie van het zelf-leven begint te ontdekken in de eindeloze strijd ertegen, dan wordt hij er intens bij bepaald om zichzelf te verloochenen. Dit zal dan leiden tot de vrijheid om te rusten en te groeien in Christus. De mens probeert op vele manieren aan de slavernij van het zelf-leven te ontsnappen, maar God heeft slechts één weg. Eerst zullen we echter enkele van deze menselijke methoden bespreken.

Afsterving: zichzelf een tijd lang of zelfs voor altijd bepaalde dingen ontzeggen, brengt geen oplossing, daar de oude natuur zich naar alle omstandigheden zal schikken en zal floreren, zolang het maar niet zijn dood betekent. Sommigen hebben gedacht, dat het noodzakelijk was zich uit de maatschappij terug te trekken om zo zichzelf uit te schakelen. Zo maakten ze zich van alle natuurlijke verhoudingen los en gingen wonen in de woestijn, op een berg of in een kluizenaars hol, om door vasten en strijd het vlees te laten afsterven. Hoewel hun motief goed is, kunnen we onmogelijk hun methode aanbevelen. Het is namelijk niet bijbels te geloven, dat de oude Adamsnatuur op die manier overwonnen kan worden. Deze natuur moet aan niets anders dan aan de dood des kruises worden overgegeven. De oude mens is te hardnekkig om te sterven door het lichaam te mishandelen en zijn begeerten te laten verhongeren.

Overwinning: de meest voorkomende en meest uitputtende methode is waarschijnlijk de strijd van de gelovige om deze opstandeling, het zelf-leven, te willen overwinnen. Men neemt dan de toevlucht tot meer samenkomsten, meer bijbelstudie en meer gebed, maar niet één van deze methoden is Gods antwoord op dit probleem.

Opleiding/Beschaving: dit is een zeer geliefde methode, uitgeprobeerd tot en met, maar die is door de eeuwen heen toch ontoereikend gebleken. Men heeft vertrouwd op een gedegen christelijke opleiding, op wetenschap, cultuur en beschaving, om zo de oude natuur te onderwerpen en binnen de perken te houden.

Opwekking: een middel, dat uiteindelijk ook niets uitwerkt, is regelmatig bijzondere samenkomsten beleggen. Dit betekent dan sprekers van buiten (die de persoonlijke problemen niet kennen) en een in wezen falend opwekkingssysteem (belijdenis, nieuwe voornemens, enz.), in de hoop dat er iets, zal veranderen - wat maar zelden het geval is en dan nog maar voor een poosje.

Groei: heel veel dierbare christenen blijven voort ploeteren, in een overstelpende drukte of in een dodelijke sleur van velerlei kerkelijke activiteiten en verplichtingen, in de verwachting dat het zelf-leven wel vanzelf beter zal worden, als zij metterdaad groeien. Maar het zelf-leven verandert nimmer, het zal eerder sterker worden! "Wat uit het vlees geboren is, is vlees"(Joh. 3:6). Soms is het zelf-leven heel erg slecht, b.v. als het boosaardig, onvriendelijk, onrechtvaardig, onwaarachtig en liefdeloos is. Maar in andere gevallen verbergt een goede buitenkant een boos hart, als we hoogmoedig zijn over onze nederigheid, verwaand in onze christelijke dienst en prat gaan op onze rechtzinnigheid. Ook een overdreven vooruitstrevendheid en een opvallend welbehagen in het geluid van de eigen stem bederven veel in een bidstond.

Reiniging: spontane belijdenis en daaruit voortvloeiende reiniging zijn eveneens veel toegepast. Er wordt dan over het hoofd gezien, dat 1 Joh. 1:9 spreekt over begane zonden en niet over de bron (het zelf-leven), waar de zonden uit voortkomen. Met, onze zonden is afgerekend door het bloed, met ons zelf-leven door het kruis. Het bloed brengt voor ons vergeving teweeg, het kruis verschaft ons verlossing van wat we in Adam zijn. Het bloed kan mijn zonden wegwassen, maar het kan niet mijn oude mens wegwassen. Het kruis is nodig om mij, zondaar, te kruisigen.

Ervaringen: in deze tijd is één van de meest voorkomende pogingen om tot iets beters te komen, zich uitstrekken naar de 'doop van de Geest', spreken in tongen, enz. Dit is verreweg de gevaarlijkste en afschuwelijkste list van allemaal, omdat dit eenvoudigweg een vroom-lijkende, maar emotionele, onbeheerste uiting van het zelf-leven is. Golgotha gaat vooraf aan Pinksteren. De dood met Christus gaat vooraf aan de volheid van de Geest. Kracht! Ja zeker, Gods kinderen hebben kracht nodig, maar God geeft geen kracht aan de oude schepping, aan de ongekruisigde mens. Satan wil wel kracht geven aan de oude Adam, maar God doet dat niet.

Wie van ons weet niets van het falen van onze eigen wegen, hoe goed ze ook bedoeld. zijn? Wat de meesten niet weten, is dat dit falen de manier is om Gods weg te leren en die te betreden. "Want Mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet Mijn wegen, luidt het woord des Heren. Want zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn Mijn wegen hoger dan uw wegen en Mijn gedachten dan uw gedachten" (Jes. 55:8). Wat is dan precies Gods weg van zelfverloochening? Hij heeft maar één weg, en die is op basis van al Zijn andere wegen: het principe van het volbrachte werk. Zijn weg voor ons is in alle opzichten de weg, die Hij reeds in Christus gegaan is. Op deze weg heeft Christus overwonnen. Het was op het kruis van Golgotha, dat God in Christus ten volle definitief met het zelfleven, de natuur, van waaruit alle zonden voortkomen, afgerekend heeft. "Wij weten. dat onze oude (onvernieuwde) mens met Hem aan het kruis werd genageld, opdat ons lichaam (het instrument van de zonde) krachteloos en werkeloos voor de zonde gemaakt zou worden, opdat wij niet langer slaven van de zonde zouden zijn" (Rom. 6:6). De reden, dat er geen andere weg is om het zelf-leven te verloochenen, is dat God het werk op deze wijze heeft gedaan: onze vereenzelviging met Jezus Christus in Zijn dood en opstanding. Het is voltooid, wij moeten het nu geloven.

Het vlees komt slechts aan het kruis tot zijn eind, en niet door allerlei voornemens, die u op een conferentie maakt, niet door enige zelf-inspanning, niet door te proberen uzelf te kruisigen, maar alleen door medekruisiging, tezamen met Christus. Niet door uzelf ter dood te brengen, maar door uw plaats van eenheid met Christus in te nemen in Zijn dood door geloof en overgave. Dat is de wonderlijke beschermende muur tussen u en al de aantrekkelijkheden van het vlees, en dat opent de weg om Gods wil te doen. Het kruis van Golgotha had de dood van de Here Jezus tot gevolg zowel voor de zonde als tot de zonde. Dat Hij tot de zonde stierf, betekent dat de zonde door Zijn dood de macht verloor. Daarna verrees Hij in nieuwheid des levens, dit is het eeuwige leven. Onze vereenzelviging met Hem op Golgotha bracht ons in die dood, bracht ons in het graf en deed ons met Hem verrijzen in nieuwheid des levens (Rom. 6:4).

Eerst Rom. 6:3: "gedoopt in Zijn dood", dan Rom. 6:4: "met Hem begraven", dan Rom. 6:5:"Want indien wij samengegroeid zijn in de gelijkenis van Zijn dood, zullen wij het ook zijn in de gelijkenis van Zijn opstanding". Ook Kol. 3:3: "Want gij zijt gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God", en daarom ook Rom. 6:2. Reken uzelf ook inderdaad dood te zijn tot de zonde, maar levend tot God door Jezus Christus, onze Heer. Prijs de Here, het is allemaal gebeurd op Golgotha. Voor onze zonden is betaald, met onze zondigheid is afgerekend en beide door het uiterste - de DOOD. De, vruchten van het kruis ontvangen we eenvoudig door te rekenen op en te geloven in het volbrachte werk van het kruis.

In de eerste plaats gaan wij door het Woord zien, wat God met ons probleem deed. En dan, als wij door en door overtuigd worden van dat feit en het duidelijk beginnen te verstaan, zijn we in staat om het als waar te rekenen. Als wij geloof beoefenen in Gods waarheid, dan beginnen we de zegeningen van dat volbrachte werk te ontvangen en te ervaren. Was dat ook al niet zo op het punt van onze rechtvaardigmaking? Ja, en op dezelfde wijze zal het waar blijken te zijn op het punt van onze vrijmaking van de slavernij van het zelf-leven.

De krachtdadige uitwerking van het kruis, in de uitdelging van onze schuld in de hemel en in onze hernieuwde vereniging met God, is niet los te maken van het andere resultaat: de verbreking van de macht der zonde over de mens, door de kruisiging van het zelf-leven. Daarom leert de Schrift ons, dat het kruis niet alleen een gezindheid of verlangen werkt om tot zo'n offer te komen, maar dat het ook werkelijk in de kracht voorziet om het werk te doen en ook te voltooien. Dit zien we heel duidelijk in de Galatenbrief. In één vers (3:13) spreekt Paulus van het kruis als de verzoening van de schuld. Maar er zijn wel drie andere verzen (2:20, 5:24, 6:14), waar heel duidelijk het kruis genoemd wordt als de overwinning over de macht der zonde, om het 'ik' van het zelf-leven, van het vlees (de uitwerking van het zelf-leven) en van de wereld op de plaats des doods te houden. In deze gedeelten worden onze vereenzelviging met Christus, de Gekruisigde, en de gelijkvormigheid aan Hem voorgesteld door de kracht, die op ons en in ons wordt uitgeoefend door het kruis. Als wij leren op het volbrachte werk van Golgotha te staan, zal de Heilige Geest nauwgezet en doeltreffend dat volbrachte werk van het kruis op ons zelf-leven gaan toepassen. Met andere woorden, als wij het zelf-leven op de plaats des doods houden, wordt het werkeloos. Het gevolg is: niet meer mijn ik, maar Christus leeft mij!

Misschien is het goed een praktisch voorbeeld toe te voegen: Een man wilde zijn echtgenote verrassen met een zorgvuldig uitgezocht cadeautje. Hij verwachtte natuurlijk, dat zijn vrouw opgetogen zou zijn, maar dat viel nogal tegen. Ze deed stuurs en had nauwelijks aandacht voor het presentje. De eerste reactie van de man is irritatie en zelfbeklag. Er hangt een nare stemming. Hij voelt zich hevig verongelijkt. Dan beseft hij opeens, dat die gevoelens voortkomen uit het oude zelf-leven, uit hemzelf en niet uit God. Hebr. 12:15 komt hem in gedachten, dat er geen bittere wortel opschiete. Hij wordt zich bewust, dat zijn opwellingen voortkomen uit het feit, dat hij op zichzelf gericht is en niet op de Here. De man dankt de Here Jezus, die hem laat zien, hoe egocentrisch hij van nature is. Hij legt de situatie vol vertrouwen in Jezus' hand, wetende, dat alle dingen daar veilig zijn en dat Hij alles laat medewerken ten goede, naar Zijn welbehagen. Opnieuw zag deze gelovige, hoe verderfelijk zijn eigen natuur was, alleen maar gericht op de eigen rechten en begeerten. Hij dankte de Here Jezus, dat zijn 
onverbeterlijke 'ik' met Christus gekruisigd was. En de vrede Gods regeerde in zijn hart.

Naar boven.

Het Kruis. (12)

Hoewel geestelijke honger en nood de eerste vereisten zijn om licht en inzicht te ontvangen, geeft de Heilige Geest de schatten van het Woord niet snel of gemakkelijk prijs. Het bestuderen van deze waarheden is zwaar werk: "Diepte roept tot de diepte!" Wij moeten voorbereid worden, en zelfs dan is er veel navorsen, bidden, overpeinzen, vurig verlangen, ervaring en tijd voor nodig. Echte geestelijke werkelijkheid verkrijgt men op geen andere manier, maar prijs de Heer, op deze wijze komt het dan ook. Het verstaan en toepassen van het kruis blijkt één van de moeilijkste en pijnlijkste fasen te zijn in de groei van de gelovige. Onze Here houdt het allerbeste en het hoogste alleen voor diegenen, die er werkelijk ernst mee maken, voor hen, die hongeren en dorsten naar het allerbeste van Hem - in de Here Jezus. De gelovige, die de twee zijden van het kruis verstaat, heeft hierin de sleutel voor geestelijke groei en leven-voortbrengende dienst.

Golgotha is het geheim van alles. Wat de Here Jezus daar tot stand gebracht heeft, is het enige, waar het op aan komt. Wat Hij daar volbracht heeft, wordt in het leven van een christen realiteit, als het in geloof wordt aanvaard. Dit is het beginpunt, van waar uit al het goddelijk leven moet ontspringen. We zullen nooit de ervaring van Christus' overwinning in ons leven kennen, als we niet aanvaarden, dat Zijn overwinning aan het kruis het geheim is van onze persoonlijke overwinning nú. Er is voor ons geen overwinning, die niet eerst de Zijne was. Het begin van een geheiligd leven is een geloof in de gekruisigde Heiland, dat méér ziet dan Zijn plaatsvervangend werk. Het is het, geloof, dat zichzelf vereenzelvigd ziet met Christus in Zijn dood en opstanding.

Onze Vader zoekt ieder van ons te brengen tot aanvaarding van dit tweede aspect van Golgotha: onze persoonlijke vereenzelviging met de Here Jezus in Zijn dood voor de zonde en een staan op Zijn opstandingsgrond. De Heilige Geest heeft ons bij het begin van ons geloofsleven grondig geleerd om het volbrachte werk van Zijn sterven voor onze zonden -de rechtvaardigmaking- te geloven en te aanvaarden. Nu worden we op dezelfde wijze ertoe gebracht het tweede aspect te geloven en te aanvaarden: "Dit weten wij immers dat onze oude mens medegekruisigd is" (Rom. 6:6); "Zo moet het dan ook voor u vaststaan, dat gij wel dood zijt voor de zonde, maar, levend voor God in Christus Jezus" (Rom. 6:11).

Als ons geloof rust op de feiten van Golgotha, krijgt de Heilige Geest de vrijheid om dat volbrachte werk in ons dagelijks leven toe te passen. Wij stonden op het feit van Zijn sterven VOOR onze zonden, en deze daad des geloofs stond de Heilige Geest toe om ons bevrijding te schenken van de straf der zonde: rechtvaardigmaking. Zodra we nu dit tweede aspect zien, spoort het Woord ons ertoe aan op de bevrijdende waarheid te gaan staan van ons sterven met Christus in Zijn dood voor de zonde. Daardoor kan de Heilige Geest dan in ons leven bevrijding van de kracht en de slavernij van de zonde brengen, met als gevolg toenemende heiliging. Natuurlijk, straks met Hem in de heerlijkheid zijn wij pas definitief vrij van de tegenwoordigheid der zonde, geheel geheiligd en verheerlijkt. Als onze Plaatsvervanger ging Jezus Christus alleen naar het kruis, zonder ons, om de straf voor onze zonden te betalen. Als onze Vertegenwoordiger nam Hij ons met Zich mee naar het kruis, en daar stierven wij allen in het oog van God, tezamen met Christus.
Omdat Hij in onze plaats is gestorven, kunnen wij vergeving ontvangen. Omdat wij met Hem gestorven zijn, worden wij verlost. Gods weg van verlossing voor ons, een geslacht, dat hopeloos ongeneeslijk is, geschiedde door ons (de oude mens) op het kruis van Zijn Zoon weg te doen en daarna een nieuw begin te maken door ons te herscheppen in vereniging met Hem, de opgestane, levende Heer (2 Kor. 5:17). Het is de Heilige Geest, Die deze grote feiten waar wil maken in onze ervaring, als ons geloof met Hem samenwerkt. Alleen zo kunnen we veranderd worden naar het beeld van Christus. Door de kruisiging van de oude mens met Christus is de gelovige dood voor de zonde gemaakt. Hij is volkomen bevrijd van de macht der zonde, hij is buiten het bereik van de greep der zonde gekomen. Dit is de volmaakte voorziening van Gods genade. Maar dit volbrachte feit kan alleen maar tot werkelijkheid worden in de ervaring van de gelovige, als hij er in geloof op gaat staan en het voortdurend van dag tot dag door dat geloof voor waar rekent, ondanks de verzoekingen, die op hem afkomen.

De reformatie legde opnieuw de nadruk op geestelijke geboorte, zonder welke geen begin mogelijk is. Wat er bij vele gelovigen van onze tijd ontbreekt, is juist de GROEI - niet alleen maar behouden worden en naar de hemel gaan. Wat zou het voor een soort van zaligheid zijn, als onze Vader ons alleen maar van de straf van onze zonden had gered, om het vervolgens aan onszelf over te laten af te rekenen met de macht der zonde in ons leven en onze wandel? Doch vele gelovigen menen, dat God slechts tot zover gegaan is, Ze worstelen om er met Zijn hulp het beste van te maken. Dit was de dwaling van de Galaten, die zelfs nu in kringen van wedergeborenen zo'n belangrijke plaats inneemt. Wij moeten naar beidegrondwaarheden teruggebracht worden: we zijn bevrijd van de straf der zonde door Christus' volbrachte werk op Golgotha, maar Golgotha is evenzeer het fundament van onze heiliging als van onze rechtvaardigmaking. Beide gaven komen vanuit hetzelfde werk voort en zijn de twee kanten van dezelfde verlossing: "uit het geloof gerechtvaardigd" (Gal. 3:24); "wij wandelen door geloof " (2 Kor. 5:7); "Nu gij dan Christus Jezus aanvaard hebt, wandelt in Hem" (Kol. 2:6). Wij zijn niet aan onszelf overgelaten om met het oude leven af te rekenen. Christus heeft aan het kruis een volkomen werk gedaan. Dit is een feit, dat we moeten weten, en op dit feit is de nieuwtestamentische leer van heiligheid gegrond. Zolang nu de gelovige dit tweeledige aspect van zijn verlossing niet kent, is het beste, wat hij kan doen om met zijn zonden in het reine te komen: ze belijden (1 Joh. 1:9). Dat is dan, nadat de schade is aangericht. Dit neemt de straf op de daad weg, maar niet de bron ervan. Wordt het geen tijd, dat we de Heilige Geest toestaan tot de bron te komen en de stroom van zonden te keren, voordat ze worden bedreven? Is dit niet oneindig veel beter dan de ellende, die door de zonde wordt veroorzaakt, zelfs al wordt die zonde dan beleden? Als gelovigen het beu en moe zijn, omdat zij jaar na jaar in een geestelijke vicieuze cirkel ronddraaien - van zondigen, belijden en dan weer opnieuw zondigen - dan zullen ze bereid zijn om Gods antwoord op de bron der zonde te aanvaarden: de dood van het zelf-leven als resultaat van het volbrachte, werk aan het kruis.

Als Gods licht voor het eerst in onze harten schijnt, dan roepen we om vergeving, want we beseffen, dat wij tegen Hem hebben gezondigd. Als we eenmaal vergiffenis van zonden hebben ontvangen, doen we een nieuwe ontdekking - de ontdekking van de zondemacht in ons, en we gaan beseffen, dat we een zondaars-natuur hebben. Er is een inwendige neiging tot zonde. Er is binnenin ons een kracht, die ons drijft tot zonde. Als die kracht losbreekt, bedrijven we de zonde. We kunnen om vergeving vragen en die ook ontvangen, maar daarna zondigen we weer. Zo gaat ons leven dan steeds verder: zondigen en vergeving ontvangen. We zijn blij met Gods vergeving, maar we willen meer. We hebben verlossing nodig. We hebben vergeving nodig voor wat we hebben gedaan, maar we hebben bevrijding nodig van wie we zijn! Het aanvaarden van onze dood met Christus voor de zonde is Gods ENIGE weg van bevrijding. God heeft geen andere weg dan het kostbare offer van Zijn Zoon. Wij hebben geleerd om aan het werk van rechtvaardigmaking niets toe te voegen. Nu moeten wij leren om aan het volbrachte werk van de bevrijding niets toe te voegen. Wij zullen bevrijd worden, als wij intreden in de vrijheid, die Hij bereid heeft. Er is geen andere weg. De gelovige kan nooit de oude mens overwinnen, zelfs niet door de kracht van de nieuwe mens, zonder de dood van Christus. Daarom is de dood van Christus voor de zondaar onmisbaar, en tenzij het kruis tot basis wordt gemaakt, waarop de gelovige zijn oude mens overwint, vervalt hij alleen maar tot religie. Hij probeert dan door eigen inspanning het zelf-leven te overwinnen. Die strijd is hopeloos. Ik moet tot de erkenning komen, dat in mijn binnenste een overweldiger woont: het vlees, de oude natuur, het zelf-leven, het 'ik', de oude Adam. Door het geloof moet het voor mij vaststaan, dat hij daar is, waar God 
hem heeft geplaatst: gekruisigd niet Christus. Ik moet beseffen dat mijn leven nu met Christus verborgen is in God en dat Christus mijn leven is.

Naar boven.

Discipelschap (13)

Een discipel is iemand, die voortdurend met de Here Jezus is verenigd in Zijn dood en daarom ook in Zijn opstanding. De verzoening door het kruis en de gemeenschap met de gekruisigde Here moeten beide gepredikt worden als de voorwaarden voor waar discipelschap. Christus is het antwoord, maar onze vereniging in Zijn dood is nodig voor onze bevrijding. Onze Here jaagt ons nooit op in onze geestelijke ontwikkeling. Hij is onze overste Leidsman en Hij leidt ons stap voor stap. Wij zwoegen en falen door zelfinspanning, waardoor er een ernstig verlangen ontstaat om uit het vernederende falen verlost te worden.

Na enige tijd gaan we de schriftuurlijke feiten zien van de bevrijding door onze vereenzelviging met Zijn dood. Dat wekt de vereiste honger om die vrijheid binnen te gaan. Vrijheid in gemeenschap met onze gekruisigde en opgestane Heiland is het antwoord. Niets anders kan ons apart zetten voor God, niets anders kan ons heilig maken. Alleen als Zijn dood in ons werkt, zal de Heilige Geest alles, wat een heilig leven in de weg staat, op de plaats van de dood houden. Werkelijke bewogenheid voor verlorenen komt voort uit een innerlijke ontferming, die de Here Jezus aan ons meedeelt. Alleen als we dit kennen vanuit een levende ervaring, worden we toegerust tot Zijn dienst.

Onze Here Jezus deed zeer duidelijke uitspraken, toen Hij over discipelschap sprak: "Hij zeide tot allen: Indien iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf en neme zijn kruis dagelijks op en volge Mij"; "Wie niet zijn kruis draagt en achter Mij komt, kan Mijn discipel niet zijn" (Luk. 9:23; 14:27). De reden, die Hij hiervoor had, ligt voor de hand: zelf-leven kan en wil Hem niet volgen, maar als men het zelf-leven wil verliezen, leidt dat tot de dood ervan en tot nieuwheid des levens in Christus Jezus. Een discipel leert voortdurend dood te zijn voor de zonde en levend voor God (Rom. 6: 11). En om deze reden stelt de Here Jezus duidelijk, dat een ieder zijn kruis op moet nemen. Dit is de voorwaarde.

Christenen moeten verstaan, dat kruis dragen niet in de eerste plaats te maken heeft met de beproevingen, die wij een kruis noemen. Het heeft te maken met bet dagelijks opgeven van het zelf-leven. Dit moet het kenmerk van ons zijn, zoals het dat ook van de Here Jezus was.

Wij hebben dit haast nog meer nodig in tijden van voorspoed dan van tegenspoed. Zonder dit opgeven van het zelf-leven kan de volheid van de zegen van Zijn opstandingsleven niet voor ons worden ontsloten. Laten we toch ophouden om 'een kruis' met 'Zijn kruis' te verwarren. Sommige gelovigen zijn vol zelfbeklag en zij zeggen: ik moet mijn kruis opnemen en Jezus volgen. Maar we moeten ons kruis uit het gezicht verliezen en Zijn kruis leren zien, dan wordt Zijn kruis ons kruis, Zijn dood onze dood, Zijn graf ons graf, Zijn opstanding onze opstanding en Zijn verheerlijkt leven ons nieuwe leven.

Ons kruis opnemen betekent niet het gelaten dragen van zware lasten, ontberingen, ziekten, onaangename omstandigheden of verhoudingen. Zoiets verdragen is nog niet het kruis opnemen. Als wij het kruis opnemen, kunnen dergelijke dingen daarbij wel inbegrepen zijn, maar zij vormen niet het wezen van het kruis.
Het kruis van de gelovige is het kruis van Golgotha, het kruis, waaraan hij met Christus gekruisigd en verzegeld werd. Daar is de eeuwige bevrijdingsproclamatie getekend met het bloed van het Lam en verzegeld met de Geest van God. Iedere gelovige is daardoor van alle slavernij bevrijd, maar niet iedere gelovige is zich bewust van deze bevrijdende waarheid.

Het is een grote genade, als gelovigen gaan hunkeren naar bevrijding, en tot het punt komen, waar ze hun ketenen gaan haten in plaats van ze te koesteren. Het is waar, dat het verstand door het kruis vernederd wordt, maar toch is de tegenstand tegen het kruis voornamelijk onwil, zowel in de zondaar als in de heilige, want de boodschap van het kruis wordt alleen verwelkomd door hen, die verlangen naar bevrijding van de slavernij van hun zonden en die hongeren en dorsten naar de ware gerechtigheid van God. Ja, de nood moet hoog zijn. De goddelijke weg via het kruis tot geestelijke vrijmaking is net zo aanstotelijk voor een kind van God als de goddelijke weg der verlossing voor een verlorene. Als de gelovige het kruis werkelijk begint te zien zoals het is: een plaats des doods, is hij geneigd te aarzelen.

Onze Here Jezus begrijpt dit. Daarom laat Hij toe, dat de nood in ons leven steeds groter wordt, totdat we uiteindelijk dankbaar Zijn weg voor ons aanvaarden. Als het zelf-leven voor ons onverdraaglijk wordt en we ons leven beginnen te haten (Luk. 14:26), zullen we bereid zijn om ons kruis op ons te nemen. De zware last van het zelf -leven en het verlangen, dat Zijn leven in ons openbaar wordt, maken dat het mede gekruisigd zijn met Hem met vreugde aanvaard wordt. Het jarenlange voorttobben in teleurstelling maakt de vrijheid in de Here Jezus kostbaar en de prijs niet te hoog.

Hier zien we dan, hoe we ons kruis opnemen en dragen. Uiteindelijk toebereid door onze noden, en bewust, dat onze slavernij in Christus op Golgotha werd verbroken, leren we op dat volbrachte werk te vertrouwen en daarin te rusten. Dan rekenen we onszelf inderdaad dood voor de zonde en levend voor God in Christus. Als wij ons weer afwenden van deze feiten en op iets of iemand anders of weer op onszelf gaan steunen, dan wordt het zelf-leven van het kruis afgenomen en weer werkzaam in ons. Dan komen we weer als tevoren onder de slavernij.

In dit proces worden we geduldig onderwezen te wandelen door geloof en te volharden in onze houding van vertrouwen op het volbrachte werk aan het kruis. Het pad, waarop de Here Zijn discipelen uitnodigt om met Hem te wandelen, is die smalle weg, die begint op het kruis, maar voert naar de heerlijkheid van de Here Jezus.

Naar boven.

De weg van een discipel (14)

Hij, die het Woord gehoord heeft en die het met een vroom en goed hart bewaart en in volharding vruchten draagt, is volgens de gelijkenis van de zaaier (Luk. 8:15) het zaad, dat in goede aarde valt. Het principe van de groei is altijd "eerst een halm, daarna een aar, daarna het volle koren in de aar" (Matt. 4: 28). "Daarom wacht de Landman op de kostelijke vrucht des lands en heeft geduld" (Jak. 5:17). Hieruit blijkt duidelijk: "hij, die gelooft, haast niet" (Jes. 28:16). Voor de meesten is er een lange tijd van groei nodig tussen het verschijnen van de tere, groene halm tot het volle koren in de aar. Velen volstaan met het eerste stadium: gered, met de hemel in zicht, zich daarbij misschien koesterend in een zekere mate van aanzien in christelijke kring.

Dit beeld van de gelovige is als de tarwekorrel, die drager is van leven, dat onthuld is door een glanzende, goudachtige bedekking, in gemeenschap met soortgelijke tarwekorrels. Het is echter slechts een stadium en niet het einddoel. Het kan zelfs een gevaarlijk stadium zijn: zoeken naar welverdiende rust, zich doelloos koesteren in de gemeenschap van samenkomsten, bijbelstudies, enz. Men merkt dan niet de pijn en de strijd, die anderen hebben om voort te gaan in het geloof, en men kan hen dus ook niet bemoedigen en helpen om verder tot rijpheid te komen.

Dit soort gemeenschap is wel aangenaam en behagelijk, maar onvruchtbaar. De zaadkorrel kan mooi zijn, maar hij is hard. De kiem van leven wordt binnen in het vlies opgesloten gehouden en kan er niet uit. Daarom brengt het niets voort. Dit is de reden, waarom zoveel vooraanstaande christenen zo onvruchtbaar zijn.

Maar als de tarwekorrel wordt begraven, dan sterft hij. Het harde buitenoppervlak wordt zacht en vergaat. Zo kan het nieuwe leven van de jonge kiem tot ontwikkeling komen. Alleen dat geeft een oogst. We moeten het harde, koude, zelfzuchtige 'ik' dood rekenen, alvorens de weekmakende invloed van de Heilige Geest kan werken om ons toe te rusten voor de dienst van God. Vele gelovigen willen graag Gods werk doen, maar zijn vanwege het vlees in hun leven daartoe niet in staat.

Onze Vader begrijpt dit alles en Hij is het, Die het initiatief neemt. Hij laat het zaad van onvoldaanheid in onze harten vallen. Hij begint ons te tonen, dat er veel meer in het christenleven is dan alleen maar gered en direct actief voor Hem worden. Het, is nodig, dat Hij een verandering teweeg brengt: van vleselijke christenen naar vruchtdragende discipelen, die in gemeenschap met hun Heer wandelen. Uit een groot aantal werkwijzen kiest Hij de doeltreffendste voor ieder persoonlijk om hem of haar tot deze overgang te brengen. En voor wie zich in de hand van de Landman weet, is er geen vrees meer, maar vrijheid.

Het komt voor, dat wij christenen ontmoeten, die zeer verstandig, sterk en rechtvaardig zijn; eigenlijk net een beetje té verstandig, een beetje té wijs. Er blijkt dan veel van het zelf-leven in hun sterkte te zijn, en hun rechtvaardigheid is streng en kritisch. Ze hebben alles, wat hen tot heiligen lijkt te maken, behalve kruisiging. Die zou heil tot mensen gevormd hebben, vol van een bovennatuurlijke tederheid en een grenzeloze liefde voor anderen. Maar als ze werkelijk tot Gods uitverkorenen behoren, heeft God een wijnpers voor hen toebereid, waar ze op zekere tijd doorheen zullen gaan en die de metalen hardheid van hun natuur zal veranderen in zachte liefde, als de beste wijn, die Christus voor het laatst bewaard heeft.

"Nog een gelijkenis hield Hij hun voor en Hij zeide: Het Koninkrijk der hemelen komt overeen met iemand, die goed zaad gezaaid had in zijn akker... Die het goede zaad zaait, is de Zoon des mensen; de akker is de wereld; het goede zaad, dat zijn de kinderen van het Koninkrijk"(Matt. 13:24,37-38).

De Here van de oogst plant en begraaft christenen als zaden in een akker. Die akker is de wereld. Door het geduld en de liefderijke verzorging van de Landman, begint het tarwegraan, dat zich hoog in de aar bevindt, te vrezen dat het alleen maar zal worden ingezameld, en het verlangt ernaar om veel vrucht voort te brengen. Hier is Gods beweging voor discipelschap: kinderlijke honger des harten om vrucht te dragen. Uiteindelijk smeekt het om tot elke prijs vruchtbaar te worden gemaakt, en dan hoort het de Here zeggen: "Voorwaar; voorwaar, Ik zeg u, indien de tarwekorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij op zichzelf; maar indien zij sterft, brengt zij veel vrucht voort" (Joh. 12:24). "Die zijn leven verliezen zal om Mijnentwil en om des evangelies wil, die zal het behouden" (Marc. 8:35).

Als een lieflijk antwoord op deze honger begint de Heilige Geest rustig en zacht de korrel van de haar behagelijke verbindingen en steunpunten los te maken. "Wanneer de vrucht rijp is, laat hij er terstond de sikkel inslaan, omdat de oogsttijd aangebroken is" (Marc. 4:29). Deze tarwekorrels vallen vroeg of laat in de aarde, in de koude en vreemde donkerheid. En nog erger, de aarde besmeurt en kwetst die mooie glanzende gouden mantel. Dan gebeurt het allerergste, als die mantel in stukken uiteenvalt. Alles wat niet van Christus is, ongeacht hoe mooi het eruit ziet en wat het ook beweert te zijn, wordt openbaar voor wat het is: zelf-leven. Er volgt een verdere ontmanteling tot aan de kiem des levens, wanneer er niets meer overblijft dan Christus, Die ons leven is. Naar omlaag naar omlaag in de dood. Geduld, tarwekorrel: "Ziet, zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen?" (Job 13:15).

Als de gelovige het kruis van zijn discipelschap op zich neemt, begint het proces des doods. De discipel vindt zichzelf als een zaad, gezaaid door de Zoon des mensen, geplant in een huis, een kantoor, een ziekenhuis, een zendingspost of waar dan ook. Als de dood werkt, zal opstandingsleven openbaar worden: "Want voortdurend worden wij, die leven, in de dood overgeleverd om Jezus' wil, opdat ook het leven van Jezus zich in ons lichaam openbare. Zo werkt dan de dood in ons, maar het leven in u" (2 Kor. 4:11-12).

Christus, de geliefde Zoon des Vaders, kon de heerlijkheid des hemels niet binnengaan, voordat Hij eerst Zichzelf in de dood had overgegeven. Naarmate deze grote waarheid verder voor ons opengaat, zal zij ons meer helpen verstaan, dat het in ons leven onmogelijk is deel te hebben aan het leven van Christus, voordat wij onszelf eerst daadwerkelijk hebben overgegeven om elke dag te sterven aan de zonde, het zelf-leven, de wet en de wereld. Alleen dan kunnen we discipelen zijn, die in een ononderbroken gemeenschap blijven met onze gekruisigde en opgestane Here.

Daarbij blijft gelden, dat al de waarheden, die wij hebben geleerd over het kruis en onze dood met Christus, onze dood tot de zonde met Hem, ons sterven als een tarwekorrel, die in de aarde valt, aan het overwinningsleven vooraf gaan. Zij vormen het fundament van discipelschap.

"Een discipel staat niet boven zijn Meester, maar al wie volleerd is, zal zijn als zijn Meester"  "Wie niet zijn kruis draagt en achter Mij komt, kan mijn discipel niet zijn"  "Zo zal dus niemand van u, die niet afstand doet van al wat hij heeft, mijn discipel kunnen zijn" (Luk. 6:40; 14:27 en 33)

"Als gij in Mijn Woord blijft, zijt gij waarlijk discipelen van Mij en gij zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken"  "Hierin is Mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt en gij zult Mijn discipelen zijn" "Hierna openbaarde Jezus Zich opnieuw aan de discipelen..." (Joh. 8:31-32; 15:8; 21:1)

Naar boven.

Inspanning en Rust (15)

"Er blijft dus een sabbatsrust voor het volk van God. Want wie tot zijn rust is ingegaan, is ook zelf tot rust gekomen van zijn werken, evenals God van de Zijne. Laten we er dus ernst mee maken om tot die rust in te gaan" (Hebr. 4: 9-11).

Laten we ons dan beijveren om tot die rust in te gaan. Is het voor ons vaak geen inspanning om tot rust te komen? Vele waarheden in Gods Woord hebben twee aspecten, die nauw met elkaar samenhangen en niet los van elkaar gezien mogen worden. Het kost heel wat worstelen en zoeken om de waarheden, die onze nood lenigen, te gaan ontdekken en verstaan. Laten we ingaan op wat God ons belooft. Dit alles is niet vergeefs, want kostbare dingen verkrijgen we niet gemakkelijk. Maar de sleutel is rust! Rust om de rust binnen te gaan. Dan breekt de waarheid door. Bepaalde feiten worden duidelijk. Wij gaan iets meer beseffen van wat we in de Here Jezus bezitten.

Het kan alleen op grond van geloof en niet door strijd en inspanning. "In stilheid en vertrouwen zal uw sterkte zijn" (Jes. 30:15). Wij moeten rustig en standvastig naar onze Vader opzien in vertrouwen, en dankbaar in ontvangst nemen, wat Hij ons in Zijn Zoon heeft gegeven: "Zij alle wachten op U, dat Gij hun spijze geeft te rechter tijd, en geeft Gij hun die, zij zamelen op, opent gij Uw hand, zij worden met goed verzadigd" (Ps. 104: 27,28).

Een goed voorbeeld met betrekking tot inspanning en rust zijn de lessen om een vreemde taal te leren. U hebt een leerboek voor u met vreemde letters, u hoort een mengelmoes van geluiden, die u absoluut niets zeggen. Toch weet u, dat het een taal is, die geleerd kan worden. Ja, meer nog, u bent gekomen om deze taal te leren. Dit nu is de eerste sport op de ladder. Hoe zwak en bevend ook, u gelooft in uw hart, dat u het doel zult bereiken. Want anders zou u niet proberen om het te leren. Zo ploetert u voort, geneigd om de moed op te geven. Toch doet u dat niet. Opgeven zou fataal zijn. Daarom gaat u weer verder. Maanden gaan voorbij. Veel schijnt het ene oor in en het andere uit te gaan. Dan gebeurt het wonder: de dag komt, haast zonder dat u het merkt, dat u heeft gevonden wat u zoekt. Wat u trachtte te bereiken, daar bent u middenin! Haast automatisch begint u in de taal te spreken, te denken en te horen. Wat eerst als een warboel van geluiden tot u kwam, klinkt u nu als een geordende taal in de oren.

Zo komt er ook in de geloofsstrijd het moment, dat we 'weten'. Elk spoor van spanning en inspanning is voorbij. Zo rijk is de overvloed van genade, dat we ons nauwelijks meer bewust zijn, dat het geloof ons hier gebracht heeft. Net zoals we eertijds de innerlijke zekerheid ontvangen hebben, dat wij kinderen Gods zijn, en de Geest dit in onze geest getuigd heeft, zo komen we nu tot de kennis, dat het oude 'ik' met Christus is gekruisigd en dat het nieuwe 'ik' Christus heeft als haar nieuwe leven. Onze geest wordt verlicht door Gods Geest. De rank is geënt op de wijnstok. Het lid is verbonden aan het lichaam en het blijven in Christus wordt even natuurlijk als ademhalen. Dank God voor de nood, die hongerige harten niet toestaat op te geven, voordat ze in Hem voldoening vinden. God openbaart Zijn geestelijke waarheden alleen met het doel geestelijke nood te lenigen.

Hoevelen blijven steken bij de beginfase van het geloofsleven: "Als wedergeboren ... uit onvergankelijk zaad door het levende en blijvende Woord van God" (1 Petr. 1:23), en ze gaan dan niet verder, tot het weten dat ze "door de opstanding van Jezus Christus ... zijn wedergeboren ... tot een erfenis" (1 Petr.1. 3,4).

Door de jaren heen gaat de gelovige, die een hongerig hart heeft, ontdekken, dat hij een lange weg heeft af te leggen. Elke stap op die weg ervaart hij als een geloofswerkelijkheid, geworteld in de feiten van het Woord. Hoe vaster hij door het geloof gaat staan in de positie, die hij in Christus heeft, des te meer zullen Christus' leven en karakter in hem openbaar worden. Ja, het is een lange weg, telkens een stap in geloof: de rust des geloofs met betrekking tot de rechtvaardiging; de rust des geloofs omtrent de vereenzelviging met Christus in Zijn dood, opstanding en hemelvaart. Elke stap in de rust des geloofs voert tot de volgende stap. Elke stap moet grond onder zich krijgen, voordat de volgende gezet kan worden.

Tenzij de gelovige vast gefundeerd is in de stappen van Rom. 1 t/m 5, kan hij niet binnengaan en rusten in de waarheden van Rom. 6 t/m 8, wat voor bijzondere samenkomsten hij ook bijwoont. Falen in de verdere ontwikkeling van het christenleven is gewoonlijk te wijten aan een onvoldoende verstaan en aanvaarden van de grondslagen van het Evangelie van het behoud. Slechts zelden is er gelegenheid tot een verder gaand onderricht. Meestal beperkt men zich tot de eerste beginselen van de uitspraken Gods en komt men maar weinig verder dan de grondslagen van de wedergeboorte. U kunt geestelijk leven, dat niet gefundeerd is, niet verdiepen. U zult er een bouwval van maken, als de fundamenten niet hecht zijn. Als we het wonder van de volle verlossing in Christus niet voldoende kennen, blijven we vatbaar voor allerlei extreme leringen, die verwarring stichten. Het gebeurt vaak, dat gelovigen God leren vertrouwen op bepaalde punten, die op dat moment belangrijk zijn, maar dat ze vervolgens door eigen inspanning op een wettische manier gaan proberen waarheden in hun leven of dienst te realiseren.

Als we eenmaal hebben leren kennen, mogen we rusten, want Christus zal het doen. Als we onze verlossing leren verstaan en ervaren door onze dood met Christus, dan lijkt het zelf-leven in de praktijk meer levend te worden dan ooit! In zulke ogenblikken wil God, dat wij rusten op wat er in Zijn Woord geschreven staat over ons "gestorven zijn met Christus". De toenemende activiteit van het zelf-leven is het bewijs, dat de overgave aan het kruis werkelijk is. De Heilige Geest neemt ons dan op ons woord en legt dan open, wat er nog in de diepte verborgen is. Hij maakt ons dit duidelijk, opdat het ook mag worden overgegeven aan het kruis. Ons aandeel is, dat we onze wil overgeven en aan Gods kant gaan staan tegenover ons zelf-leven. Dan past de Heilige Geest de dood aan het kruis toe op alles, wat tegen Hem gekeerd is, zodat het werkelijk waar wordt, dat wij, die van Christus zijn, het vlees met zijn hartstochten en begeerten gekruisigd hebben (Gal. 5:24). Het geloof, dat alles uit de hand des Vaders ontvangt, bestaat uit twee fasen, en we moeten niet opgeven, als de fase van ons worstelen en pogen niets lijkt op te leveren.

"U geschiede naar uw geloof" Laten we vooral niet vergeten, dat geloof begint met er ernst mee maken (Hebr. 4:11), met ons beijveren en met strijden (1Tim. 6:12), hoewel het volbracht wordt door te rusten (Hebr. 4:3). Dit betekent, dat de eerste fase van het geloof altijd onze strijd is om met de wil, het hart en het verstand bezit te nemen van een bepaalde waarheid of belofte die in ons leven nog geen werkelijkheid is geworden, en die belofte persoonlijk te aanvaarden, ook al ziet de werkelijkheid er zo anders uit. Het lijkt er vaak op, dat we niet dood zijn voor de zonde en levend voor God. Maar er staat, dat we het moeten geloven en daarom durven we dit te doen en het uit te spreken. Mogelijk zal dit geloof duizend keer worden aangevochten en lijken te falen. Het ongeloof zal zeggen: het is alles onzin. Onze daden zullen onze geloofsbelijdenis loochenen.

Maar ernst maken met het geloof betekent dat wij weloverwogen weer tot de aanval overgaan. Opnieuw geloven we en verklaren we het. Hierin volharden wij. Als wij zo de voetstappen volgen van hen die "door geloof en geduld de beloften erven", zal er iets nieuws van God binnenin ons gebeuren.

De Geest zal met ons geloof samenwerken, zoals Hij al die tijd al onzichtbaar gedaan heeft. Aan ons geloof zal zekerheid worden toegevoegd. De inspanning zal door rust worden vervangen: "het einddoel des geloofs". Ware activiteit komt voort uit rust en gaat altijd gepaard niet rust. Pas als wij weten wat het is om stil te zijn, zullen we bereid zijn om voorwaarts te gaan. Wij rusten in God, en in Zijn Naam trekken wij op. Laat u niet, van uw gemoedsrust beroven door zélf de zegen te zoeken. God kan niet werken, als wij ons bezorgd maken, zelfs over geestelijke ervaring. Laten we Hem op Zijn Woord nemen en de vervulling ervan aan Hem overlaten.

"Ik ben de wijnstok gij zijt de ranken. Wie in Mij blijft, gelijk Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt gij niets doen." (Joh. 15.5)

Naar boven.

Hulp (16)

Wij lijden als christenen nog altijd aan de hardnekkige kwaal, dat we maar al te vaak verwachtingen koesteren van onze oude mens, die door God is veroordeeld en die met Christus genageld is aan het kruis. Meestal onbewust is ons gebed eigenlijk een vragen aan God, of Hij onze oude mens wil helpen naar Zijn wil te leven. Terwijl de Here een volkomen andere weg met ons wil gaan. Hij zoekt het leven van de Here Jezus in ons te planten en te doen opwassen.

De gevallen menselijk natuur gaat eerst aan het werk en vraagt dan God om hulp. De nieuwe natuur kent de Here Jezus als het Leven en vindt in Hem alles, wat nodig is. Zou God ons met Hem niet alle dingen schenken? Het getuigt van geestelijke onvolwassenheid, als we de Here Jezus slechts zien als onze Helper. Hij is het Leven Zelf.
Christen zijn is niet ons leven leven met behulp van Christus. Het is Christus, Die Zijn leven in ons leeft. Datgene in ons bestaan, dat geen uiting is van Zijn leven, behoort niet tot het christenleven, en dat deel van onze dienst, dat niet uit Hem voortkomt, is geen christelijke dienst, want het komt uit natuurlijke, menselijke bronnen. Ons leven en onze dienst moeten voortkomen uit de bovennatuurlijke, geestelijke Bron. Paulus getuigt: "Want het leven is mij Christus" en "Ik vermag alle dingen in Hem" (Fil. 1:21, 4:13).

De grote list van satan is, dat hij ernstige gelovigen een stap terug wil brengen door ze te laten smeken om dingen, die God volgens Zijn Woord reeds gedaan heeft. Toen we tot geloof kwamen, deden we toch ook meer dan alleen om hulp vragen! Er was lof en dank in ons hart om wat de Here voor ons gedaan had. God kan geen zonden vergeven uitsluitend op grond van iemands hulpgeroep. In ons christenleven geldt hetzelfde beginsel, dat de Here Jezus alles in ons zal zijn en door ons zal doen, als ons vertrouwen maar op Hem is. Daar wacht Hij op en dan betoont Hij Zich ook de Getrouwe, Die het in ons voleindigen zal. "Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk, en gij hebt de volheid verkregen in Hem" (Kol. 2:9- 10).

Het is allerminst een blijk van vertrouwen in God, als wij Hem voortdurend om hulp vragen. In Fil. 4:19 staat: "Mijn God zal in al uw behoeften naar Zijn rijkdom heerlijk voorzien, in Christus Jezus" Geloof is door het horen van het Woord van God. Onze verantwoordelijkheid is om te luisteren naar wat God spreekt, in het Woord te zien, wat we in Christus mogen bezitten, Hem te danken en Hem te vertrouwen voor alles wat we nodig hebben.

Als het gebedsleven van een christen voortkomt uit de juiste houding - een innige verbondenheid met Christus in Zijn dood en opstanding - dan veranderen zijn gebeden. Waar aanvankelijk het vragen overheerste, komt nu meer en meer plaats voor een blij en dankbaar vertrouwen op Gods beloften, die Hij in het dagelijks leven waar maakt. Vragen is op zichzelf wel goed, want God spoort ons daartoe aan: "Bidt en gij zult ontvangen ",

Maar veel van ons gevraag vindt in de hemel geen weerklank, omdat het niet voortkomt uit de juiste verhouding tot de Vader: weten we ons verbonden met Christus in Zijn dood en opstanding? Zijn we in de rechte verhouding tot God, dan ontvangen we alles, wat Christus voor ons verworven heeft: "Alles is immers het uwe, doch gij zijt van Christus en Christus is van God" (1 Kor. 3:21-22). Zonder geloof is het onmogelijk God welgevallig te zijn. Het is nodig, dat we tot een zuivere geloofshouding komen, die Zijn hart kan behagen.
In onze persoonlijke gebeden en in onze openbare diensten vragen wij nogal eens aan God iets te doen, dat Hij óf reeds heeft gedaan óf niet kan doen vanwege ons ongeloof. Soms smeken wij Hem om te, spreken, terwijl Hij reeds gesproken heeft of op datzelfde moment spreekt. Soms vragen wij Hem om te komen, als Hij reeds tegenwoordig is en op ons wacht tot wij Hem herkennen. We smeken de Heilige Geest ons te vervullen, terwijl wij Hem weerhouden door onze twijfel. Als de strijd hevig is en u aanvallen hebt te verduren, pleit, maar vooral stá dan op de grond van het bloed van de Here Jezus. We kunnen God vragen ons overwinning te geven, maar beter is het onze hand te leggen op Zijn overwinning, die ons overschaduwt.

De wijze, waarop God verlost, is volkomen anders dan menselijke methoden. De mens probeert de zonde te onderdrukken en zo te overwinnen. Maar, God neemt de zondaar weg! Vele christenen klagen, dat ze zo zwak zijn. Zij menen, dat het beter zou gaan, als ze maar sterker waren. Ze denken, dat ze aan Gods eis om een heilig leven te leiden, kunnen voldoen, als ze meer kracht ontvangen. Maar dit is puur menselijk redeneren en hieruit blijkt een volkomen verkeerde voorstelling van de weg tot verlossing. Als ik maar sterker ben, dan kan ik mijn boze buien wel onderdrukken, denken we. Daarom bidden we om kracht en zelfbeheersing. Maar dit is geen christendom.

Gods middel om ons te verlossen van de zonde is niet door ons steeds sterker te maken, maar juist steeds zwakker! Voor het menselijk denken is dit wel een heel merkwaardige wijze van overwinnen. Maar het is de goddelijke weg: God maakt ons vrij van de heerschappij der zonde, niet door onze oude mens sterker te maken, maar door hem te kruisigen, niet door de oude mens te helpen, maar door hem van het toneel te laten verdwijnen. De gelovige behoeft niet te bedelen om hulp. Alles wat nodig is, vindt hij in Christus: "want Mijn rechtvaardige zal uit het geloof leven" (Hebr. 10:38).

Misschien gaat het langzaam en met veel struikelen, maar geloof, dat God altijd dankt -niet voor ervaringen, maar voor de beloften waarop het kan steunen- gaat voort, in eigen zwakheid, maar van (Gods) kracht tot kracht. Het neemt steeds toe in de gezegende wetenschap, dat Hij Zelf Zijn werk in ons zal voltooien (Fil. 1:6).

Naar boven.

Vorming (17)

Het behoeft weinig betoog, dat evenwicht van groot belang is op allerlei gebied, zoals in de natuur, in de techniek, in menselijke verhoudingen en ook op geestelijk terrein. Als iets niet in evenwicht is, is er groot gevaar van instorting en van verwoesting van de omgeving. Ons zelf-leven is iets, dat geen evenwicht kent, het helt altijd over naar één kant en alles draait om het 'ik'.

Als de goede Landman begint God met de vorming van de hongerige gelovige in de diepte. Onze Vader legt geduldig en volhardend de schuilhoeken van onze ziel bloot. Hij laat ons voortdurend meer zien, wie wij zijn in onszelf, en hoe wij niet zijn. De reden, waarom de Here God op deze wijze in ons werkt, is dat dan de Here Jezus Zich in ons kan gaan openbaren, en ook door ons heen Zich aan anderen kan betonen. Zijn doel is, dat wij groeien en anderen daarin delen.

"En de Here zal u voortdurend leiden, u in dorre streken verzadigen en uw gebeente krachtig maken, dan zult gij zijn als een besproeide hof en als een bron, waarvan het water niet teleurstelt " (Jes. 58:11).

Voordat Hij door ons anderen kan vormen, moet eerst de grond in ons eigen hart bewerkt, worden. Dit betekent niet, dat er geen taak voor ons in de dienst van God kan zijn, voordat we tot geestelijke rijpheid zijn gekomen. Het betekent wel, dat onze dienst tijdens onze groei naar volwassenheid (en wanneer zijn wij volwassen?) allereerst nuttig is voor onze eigen geestelijke ontwikkeling en pas daarna voor de opbouw van anderen. Aanvankelijk denkt een gelovige - en zo wil hij het graag doen voorkomen - dat zijn dienst zeer waardevol is. Maar in de loop van de tijd gaat hij zien, dat de Here veel minder doet door hem dan in hem. Onze Here werkt allereerst daar, waar dat het meest nodig is.

Daar het werk van God geestelijk is, zijn er geestelijke mensen nodig om het uit te voeren. De mate van geestelijk zijn bepaalt hun waarde voor God. De dienstknecht zelf betekent daarom voor God veel meer dan het werk, dat hij doet. Als wij waarlijk in de hand van God komen naar Zijn plan, zal Hij zo met ons handelen, dat we voortdurend geestelijk zullen groeien. Niet onze belangstelling in christelijk werk, niet onze inspanning, geestdrift of bekwaamheid, niet onze academische graad, of iets wat wij in onszelf zijn, maar uitsluitend ons geestelijk leven kan de grondslag zijn van echte dienst aan God. Zelfs het werk waar we mee bezig zijn, wordt door Hem gebruikt om ons nader tot Hem te brengen.

Het is een misvatting om iemands geestelijk peil af te meten naar de gaven, die hij heeft gekregen. Die zijn op zichzelf geen geschikte basis voor blijvende gemeenschap met God. Die gaven kunnen waarde hebben, maar wat de Geest beoogt, is iets veel groters. Hij wil Christus in ons gestalte geven door de werking van het kruis. Hij wil Christus laten zien in de gelovigen. Het gaat er dus niet om, dat iemand bepaalde dingen gaat doen of zeggen, maar wat hij wordt. Hij moet zijn, wat hij spreekt of getuigt. Teveel mensen spreken zonder dat ze zijn, wat ze spreken. God is in de eerste plaats geïnteresseerd in wie we zijn, en niet in wat we zeggen of doen. Krijgt Christus gestalte in ons?

We worden niet gered tot dienst, we groeien op tot dienst. Slechts in zoverre als wij door de weg, die God met ons gaat, het zelf-leven in zijn ware gedaante ontmoeten, kunnen wij ook anderen helpen in hun geestelijke opbouw. Als we ons eigen 'ik' gaan kennen, leren we ook zien, welke rol het zelfleven bij anderen speelt: "Zoals het water het gelaat weerspiegelt, zo weerspiegelt het hart van de mens de mens" (Spr. 27:19). Als het volmaakte tegenwicht tegen de zelfkennis - en die zelfkennis in gezonde banen leidend vergunt onze, Vader ons om op te wassen in de genade en de kennis van onze Here Jezus Christus (2 Petr. 3:18).

God is bezig ons te vormen tot Zijn medearbeiders. Daartoe is het noodzakelijk, in het bijzonder voor de dienst der voorbede, dat Hij ons een zuiver inzicht geeft, een drievoudig verstaan: van onze Vader, van onszelf en van anderen. Gebed voor anderen kan alleen voortkomen uit een hart, dat vrede met God kent en dat weet, welke gebeden voor anderen waardevol zijn. Als ik op een andere basis moest bidden, zou ik mijzelf onwaarachtig en ongelukkig voelen. Paulus schreef, dat hij wilde bidden met zijn geest - door de Heilige Geest, Die in hem is - maar ook met zijn verstand, zich ten volle bewust van wat hij bidt en waarom (1 Kor. 14:15).

Vele gelovigen, die een diepere waarheid leren kennen, beginnen meteen aan anderen te duwen en te trekken, opdat zij dezelfde waarheid ook zouden verstaan. Dan verwonderen ze zich, dat die anderen zo traag leren en schijnbaar zo weinig belangstelling en begrip hebben van wat hen zo vervult. Zij vergeten zo makkelijk, hoeveel jaren zij zelf nodig hadden en door welke omzwervingen in de woestijn de Here hen moest leiden om hen door de Jordaan in Kanaän te brengen. Mozes bezat alle wijsheid der Egyptenaren. Toch dacht hij Israël te verlossen door een Egyptenaar dood te slaan! Hij moest veertig jaar in Midjan blijven om in Gods wegen te worden geoefend, en toen hij naar Egypte terugkeerde, was het niet om zich bezorgd te maken om wat Israël geloofde, maar om naar de farao te gaan, de oorzaak van hun verdrukking! God ging niet eerst het volk Israël toebereiden, maar Hij gaf hun één man, die hen leiden zou. God wil leiders vormen, die onderwezen zijn in de kennis van Zijn wegen.

Naarmate wij meer leren, hoe de Vader jarenlang met, ons moest handelen, zullen wij meer gaan verstaan, hoe we anderen kunnen helpen. Wij moeten zelf gevormd worden om anderen te kunnen vormen. Het is schadelijk, als de ene gelovige de andere dwingen wil om een zegen te ontvangen, waar deze nog lang niet aan toe is. Forceren van voortgang geeft de vijand gelegenheid tot misleiding. Want wie onder aandrang van anderen te hard wil lopen, zal struikelen en de beproevingen van de nieuwe situatie niet het hoofd kunnen bieden.
In al onze dienst moeten ook onze motieven zuiver zijn. Het belang van ons werk ligt niet in onmiddellijk resultaat. De grote vraag is, of God al het onzuivere eruit mag zeven, opdat het voor Hem aanvaardbaar zal zijn. Zijn goedkeuring is ons loon: " Daarom stellen wij er een eer in, hetzij thuis, hetzij in den vreemde, Hem welgevallig te zijn " (2 Kor 5:9).

Het is niet voldoende om vreugde en lust in het werk zelf te vinden. Velen worden neerslachtig, als er geen vrucht is, en zijn ongelukkig, als ze niet bezig zijn. Maar de goede volgorde is: werken vanuit de blijdschap en niet werken om blijdschap te vinden. Werk moet ontspringen uit een hart, waar Christus regeert, vanuit Zijn heiligdom. De kwaliteit van ons werk hangt van onze innerlijke rust af. Die rust moet dezelfde zijn als wij met Hem delen. We beseffen te weinig, hoezeer ons uiterlijk gedrag het stempel draagt van ons innerlijk. Als wij innerlijk niet rustig zijn, kan er geen rust uit onze dienst stralen, hoezeer we dat ook proberen. Het duidelijke bewijs van onze liefde voor Christus is onze zorg voor hen, die Hem toebehoren: "indien gij Mij liefhebt, hoedt Mijne schapen".

" Dit heb ik tot u gesproken, opdat Mijn blijdschap in u zij en uw blijdschap vervuld worde "  " Ook gij hebt dan nu wel droefheid, maar Ik zal u wederzien en uw hart zal zich verblijden en niemand ontneemt u uw blijdschap. En te dien dage zult gij Mij niets vragen "   (Joh. 15:11; 16:22-23)

Naar boven.

Voortgang (18)

Als we ons geloofsleven beginnen met een groot verlangen naar God en een ijver voor Hem, lijkt het vaak, dat we geweldige vooruitgang boeken, hoewel: we nog maar pas begonnen zijn. Maar als de Here ons door de jaren voort leidt, wordt het ons langzaam duidelijk, dat er nog grote, haast eindeloze gebieden zijn, die we nauwelijks kennen en in de geheimen waarvan Hij ons nog moet inwijden. Vele van deze gebieden, waar wij onderwezen worden, lijken wel een woestijn, zonder geestelijk werk en met weinig of geen gemeenschap met Hem of met anderen. Wat er dan aan gebed is, gaat met moeite en soms blijft het maandenlang achterwege. Ook het Bijbel lezen houdt op en alles schijnt op niets uit te lopen. Tijdens deze noodzakelijke ervaring lijkt het, of God ons in de steek gelaten heeft en dat het geen nut heeft om door te gaan. En toch is er van binnen een diepe honger, die ons niet toestaat op te geven: "En toch staat ongeschokt het hechte fundament Gods met dit merk: De Here kent de Zijnen" (2 Tim. 2:19).

Moeten we Hem dan alleen liefhebben, vertrouwen en volgen, als wij menen, dat Hij ons zegent? Wat zou dat voor een soort liefde zijn? Eigenliefde! Onze Vader neemt wel eens dingen weg, opdat wij Hem zouden liefhebben, vertrouwen en volgen, uitsluitend omdat Hij onze Vader is. Hij weet wat het kruis in onze levens teweeg gaat brengen. Hij kent de, weg des doods, die voor ons ligt, waaruit opstandingsleven zal voortkomen. Hij kent de dorre en behoeftige harten om ons heen, die Hij door ons wil bereiken. Daarom brengt Hij ons op de plaats, waar we geen acht meer slaan op wat er gebeurt, waar Hij de Enige belangrijke wordt, waar het om Hem alleen gaat.

Zoonschap is meer dan wedergeboren zijn. Het betekent groei naar volwassenheid. Het is wonderlijk om baby te zijn vlak na onze geboorte, maar het is onjuist om steeds een baby te blijven. Toch is dit de toestand van vele christenen. Zoonschap is nauw verbonden met geboorte, maar de nieuwtestamentische betekenis is vooral groei naar volwassenheid en rijpheid. Deze groei gaat gepaard met grotere volheid van Christus en overvloediger rijkdom van Zijn genade. Het gaat er daarbij niet zozeer om, waaruit we gered zijn als wel waartoewe gered zijn. Het grote hoogtepunt van de nieuwe schepping is "de openbaring van de zonen Gods" (Rom. 8:19).

In het begin van ons christenleven zijn het vaak uiterlijke dingen, die onze aandacht hebben, en voor een zekere tijd laat de Here dit toe. Dan begint onze Vader bij ons de uitwendige dingen opzij te schuiven, die we, zo onmisbaar vonden, om ruimte te, scheppen voor Christus, opdat Hij alles in ons kan worden. Hier begint de lange, door het kruis gewerkte omschakeling van het 'doen' naar het 'zijn'.

Voor ons gevoel is er een tegenstrijdigheid. De weg zou omhoog moeten voeren, maar hij gaat omlaag en dan lijkt het, alsof de Here ons niet langer voort leidt en niet langer met ons is. Dit gevoel wordt door de vijand aangewakkerd, maar het kan overwonnen worden, als we maar blijven zien, dat de God van de Bijbel onze Vader is en blijft, en dat deze weg past in Zijn plan. Ja, God neemt onwaardigen aan en Hij staat hun toe Zijn woorden te spreken, jaren voordat zij enigszins de draagwijdte ervan verstaan. Maar niemand van ons zal Hij een halt willen toeroepen. Wij mogen een bepaalde tijd zo voortgaan. Maar is het niet zo, dat het ons vanaf de tijd, dat Hij Zijn werk van vorming en tuchtiging in ons begon, geleidelijk duidelijker wordt, hoe weinig wij feitelijk wisten van de ware betekenis van wat wij zeiden en deden? Hij wil, dat wij op die plaats komen, waar we kunnen spreken of we redenaarstalent hebben of niet, omdat wij zijn wat we zeggen. Want het is een gezonde christelijke ervaring, dat in de geestelijke dingen van God de buitenkant (onze begaafdheid) steeds minder telt, maar het innerlijk (het leven) steeds belangrijker wordt.

Op langere termijn blijken alleen de diepte en het wezenlijke van een werk waarde te, hebben. Als de Here Zelf meer en meer voor ons gaat betekenen, dan worden andere dingen, ja zelfs Zijn gaven, minder belangrijk. Al blijven we dan dezelfde leer onderwijzen en dezelfde woorden gebruiken, toch is de inwerking ervan op anderen totaal anders. Ook in de toehoorders zal het werk des Geestes in toenemende mate verdiept worden.

Wie zich alleen maar tevreden stellen met naar de hemel gaan, als zij sterven, zullen door Gods 'meedogenloze' handelwijze ontmoedigd en verbijsterd worden. Maar als wij hetzelfde verlangen krijgen als God heeft, dan zal alles, waar we doorheen gaan, zelfs de woestijn, ons bemoedigen. Dan zullen we blijven voortgaan, wetende, dat God voortdurend bezig is in en door ons het werk voort te zetten, dat Hij in onze Here Jezus Christus heeft volbracht.

Indien onze harten oprecht zijn voor Hem, mogen we er zeker van zijn, dat Hij ons zal voort leiden in het kennen van Hemzelf, zo snel als wij kunnen volgen. Hij weet, hoeveel wij op kunnen nemen. Hij onthoudt ons niet het juiste voedsel, dat wij voor dit moment nodig hebben. Soms zijn we geneigd ontevreden te worden, omdat wij vinden, dat we niet snel genoeg groeien. Maar wij moeten voor onze geestelijke opvoeding de Here vertrouwen. Als onze ogen op Hem zijn en wij met een eenvoudig hart Hem volgen, waarheen Hij ons leidt, zullen we uiteindelijk zien, dat Hij ons over de rechte weg leidt, dat Hij ons oefent om de Here Jezus recht te kennen en lief te hebben. Hij werkt in ons uit, wat tot het leven van de Here Jezus behoort. Door alles heen moeten wij op Zijn liefde vertrouwen en onszelf meer en meer gaan wantrouwen. Paulus schrijft aan ons, zoals eenmaal aan Timotheus: "Gij dan, mijn kind, wees krachtig in de genade in Christus Jezus, en wat gij van mij gehoord hebt onder vele getuigen, vertrouw dat toe aan vertrouwde mensen, die bekwaam zullen zijn om ook anderen te onderrichten. Lijd met de anderen als een goed soldaat van Christus Jezus"(2 Tim. 2:1-3). Wij verheugen ons met u, als u voortgaat in Hem.

"De Here is getrouw, Die u zal bevestigen" (2 Thess. 3:3)

Naar boven.