Johannes
Elias Feisser 1805-1865
Johannes
Elias Feisser (1805) was Hervormd theoloog en predikant, en echt een
student van de
Groninger
richting. Men knoopte aan bij het goede in de mens, de ethische en
verlichte zedelijkheid.
Een
typische compromistheologie (P. Hofstede de Groot). Door diverse crises
is zijn leven en
bediening
begon Feisser te veranderen - in 1841 brak hij met zijn
leermeesters en de theologie
die
zij voorstonden. Feisser kwam tot overgave aan Christus. Waarom? Daar
is niet helemaal de
vinger
op te leggen, maar duidelijk is dat voor Feisser de factor "mens" was
uitgespeeld. Feisser
bekeerde
zich van zijn antropocentrisme, en zag dat hij vergeving nodig had.
Jezus werd het centrum
van
zijn taal en verkondiging (invloed van de Puritein John Newton?
[Cardiphonia]). Rekenen met
de
notie "verlichte zedelijkheid" van de mens bleek voor Feisser een
dwaalweg. De menselijke zede,
het
religieuze gevoel, is geen natuurlijke landingsplaats voor Gods genade.
Het is duister in het
onverstandige
hart van elk mens, hoe verlicht hij zichzelf ook maar vindt (Rom. 1;
cf. Isaac Da Costa,
"Bezwaren
tegen de geest der eeuw").
In
Gasselternijveen bloeide Feissers kerk, maar de herboren predikant kon
zijn boodschap daar niet
kwijt.
Hij raakte in conflict met de kerkeraad en het Provinciale Kerkbestuur,
omdat hij tot het inzicht
kwam
dat, wil de Kerk het lichaam van Christus zijn, een doorgaande
reformatie nodig is
(ecclesia
reformata semper reformanda). Nu weigert Feisser kinderen te dopen en
onbekeerde
kerkleden
tot ouderlingen aan te stellen. Daarmee houdt hij dus vast aan zijn
eerste uitgangspunt: ware
kerkleden
zijn zij die hebben ingezien dat het vrome gevoel voor God niet
voldoende is. Het diepe
wantrouwen
naar de natuurlijke mens, zijn trots, ego, zelfhandhaving en
absolutisme, is conditio sine
qua
non, voor de gezonde bouw van een gemeente. Op nieuwjaarsmorgen 1844
stonden Feisser en
mevrouw
Feisser letterlijk op straat. Vervolgens komt Feisser in contact met
Duitse baptisten - hij
kende
het Baptisme niet - en wordt hij in 1845 vlak bij de Nijveensche
Mond gedoopt. Diverse
anderen
volgden hem, en de eerste Nederlandse Baptistengemeente was een feit.
