Evangelischen op zoek naar
identiteit.
Opening Hogeschooljaar, Evangelische Theologische Hogeschool, 13
september 2003 door dr. Henk Bakker
‘Aiai aiai, dustanos eg ' (Sophocles, Oedipus Rex 1308). Met
deze woorden laat de tragedieschrijver
Sophocles koning Oedipus, aan het einde van zijn drama, blind op het
toneel verschijnen: ‘ohoh, ohoh,
ik ben rampzalig'. De trotse koning is dan totaal vervreemd van
zichzelf, ja is beland in een ondraaglijke
identiteitiscrisis. Hij was
immers niet die hij meende te zijn, en liep zijn noodlot in de armen.
Ongewild en
ongemerkt werd Oedipus de moordenaar van zijn vader en de echtgenoot
van zijn moeder.
De vader van de psychoanalyse, Sigmund Freud, kwam op het spoor dat
deze rond de helft van de 5e
eeuw voor Christus geschreven tragedie elementen bevat die overeenkomen
met diepe drijfveren van
het menselijke onderbewustzijn (cf. vers 981, waar - nota bene, de
niets-vermoedende - Jocasta zegt:
‘Hoe vaak gebeurt het niet, dat een man in zijn dromen zijn
moeder heeft getrouwd!'). Eén van de nood
lottigheden van het leven, waar dus nauwelijks aan te ontkomen valt, is
de drift tot vadermoord.
We kennen het allemaal, in algemene of bijzondere zin. Voor de vrouwen
geldt misschien niet zozeer
dat zij te lijden hebben van het Oedipuscomplex, als wel van het
Electracomplex (zie de laatste
publicaties van Iki Freud). We gaan hier nu niet in detail op in, maar
vatten beide complexen samen
onder de gedachte dat kinderen ongewilde rekeningen met hun ouders
hebben te vereffenen. Maar
dat geldt niet alleen voor lijfelijke kinderen - ook voor
geesteskinderen. Kinderen van de tijd hebben
de neiging om hun tijd als dé tijd te zien, en de geschiedenis
als vader te vermoorden.
Aan vadermoord is ook binnen de theologie moeilijk te ontkomen. Ik
verwijs in de eerste plaats naar
het boeiende hoofdwerk van wijlen prof. Van Gennep, ‘De terugkeer
van de verloren vader. Een
theologisch essay over vaderschap en macht in cultuur en christendom'
(Baarn, 1989). Van Gennep
constateert dat de mondigheid van de mens, mondigheid ten opzichte van
God en Kerk, met het
beeld van een veeleisende en tyrannieke vaderfiguur heeft afgerekend.
Bonhoeffer constateert dit al
eerder in zijn gevangenisbrieven en bespreekt een a-religieus
christendom dat kan leven zonder de
voogdij van God. Bonhoeffer en Van Gennep beoordelen deze verschuiving
voornamelijk als positief.
Allerlei bijgeloof, geestelijke domhouderij en suppressieve
geloofsstructuren gaan ter ziele. Maar er
zitten natuurlijk ook kwalijke kanten aan.
De Leidse, Remonstrants Gereformeerde theoloog Meijering schrijft
evenwichtiger over de oedipale
neigingen in de theologie: ‘men vermoordt het voorgeslacht, dat
pretendeerde met de waarheid gehuwd
te zijn, om er zelf mee te kunnen trouwen' (Voorbij de vadermoord. Over
het christelijk geloof in God,
de Schepper [Kampen, 1998]. Hij kwalificeert dit in wezen als
puberaal gedrag. Interessant is
dat hij soortgelijke dingen ook al zo'n 25 jaar eerder schreef
(Onmodieuze theologie. Over de waarde
van de theologie van ‘grieks' denkende kerkvaders [Kampen,
1974]). Mensen staan pas vrij tegenover
hun voorgeslacht, als zij hun voorouders niet slechts napraten, noch
zich tegen hen afzetten, maar
dankbaar kunnen zijn voor wat zij hebben ontvangen. En wat voor het
gewone leven geldt, geldt ook
voor de kerk: ‘We zijn in theologisch opzicht pas volwassen als
we vrij staan tegenover de traditie.
Als we alleen maar napraten wat de vaderen ons hebben voorgezegd, dan
zijn we nog zo klein dat
we niet eens kunnen studeren, d.i. zelfstandig denken. Als we alleen
maar met een ondertoon van
zelfmedelijden en zelfverheffing beschuldigend naar het theologische
verleden kunnen wijzen (...),
dan zijn we theologische pubers, in het gunstigste geval theologische
kwajongens. We staan vrij
tegenover de traditie als we dankbaar zijn voor wat we aan goeds hebben
ontvangen ..., en als
we duidelijk hebben gezien waar fouten zijn gemaakt en proberen zelf
die fouten te vermijden
(al lijkt de kans groot dat een volgende generatie van ons zal zeggen:
"L'histoire se répète")'.
Bij de postmoderne evangelicaal is er echter nagenoeg geen
belangstelling voor het verleden -
beleving nu is belangrijker dan waarheid toen. Hij of zij is
a-historisch en soms zelfs anti-historisch.
Identiteiten van "toen" kunnen ter aarde storten. Ik constateer een
dramatisch gemis aan historisch
besef en daardoor aan gezond zelfrelativisme. Deze Nederlandse
generatie evangelicalen meent het
verleden niet nodig te hebben, want zij is immers de uitverkoren
generatie die de tijden van Elia en
Mozes doet herleven. Alle heiligen en engelen kijken op Nederland toe,
zij hebben op ons gewacht,
daar begint de opwekking die de wereld verandert. Wij vinden de
waarheid over God zelf uit. Luther
was zielig, Calvijn een neuroot, Feisser oubollig, Barth een stoffige
Duitse theoloog. Ja, de Nederlandse
evangelicalen blazen al dit stof
van God af. Ik ga er evenwel van uit dat een Christen, met enig
vermogen
tot zelfreflectie, er enigszins van doordrongen is te staan in een
traditie van eeuwen, en dat de grote
daden Gods niet pas bij hem of haar beginnen. We dreigen te vergeten
dat identiteit in het verleden
ligt en voornamelijk daar gezocht en gevonden moet worden. Deze
generatie is de generatie van de
moord op het verleden en de traditie, en daarmee op de eigen identiteit.
Volgens het hermeneutische deconstructivisme, dat uitgaat van de
vooronderstelling dat vaste betekenissen
van teksten niet mogelijk zijn, gaan historische teksten niet over
waarheid of werkelijkheid. Het verleden
bestaat niet (hooguit verledens). Maar een volk zonder geschiedenis is
een volk zonder ziel, een mens
zonder geschiedenis is een mens zonder ziel, een kerk zonder
geschiedenis is een kerk zonder ziel. Wie
zijn bezieling niet uit het verleden kan halen, is gedoemd om vast te
lopen. Hij loopt te pletter op
desoriëntatie en rusteloos activisme. Een samenvatting hiervan
biedt de "gele bundel" van Opwekking.
De armoede aan historische, Bijbelse identiteit van die bundel is zo
groot, dat alle voordeel erbij verbleekt.
De God van Opwekking bouwt als wij aanbidden, blijft ons altijd maar
liefhebben; meer nog: ik moet
zingen dat ik zijn liefde liefheb. Deze God steekt zo mager en zielig
af tegen de God van Abraham, Izaäk
en Jakob, en vooral van David. De gele God van Opwekking heeft meer weg
van een westerse
psychotherapeut. Ik vraag me af of de Nederlandse Opwekkings-God niet
meer is dan een projectie van
postmoderne, beschadigde en onvervulde
verlangens, dus van onze leegte. Hij is meer de god van de Edda
(de IJslandse mythologie) dan van de Tora, meer de god van de Olympus
dan van de Sinai en de heuvel
Golgotha. (Natuurlijk heeft de bundel ook goede liederen; het ontbreekt
echter aan variatie - de fout ligt
n de eenzijdigheid, de vele herhalingen, en de oppervlakkigheid van
tekst - te veel antropologie, te weinig
theologie.)
De illusie maakt zich om ons heen breed dat, om naar onze ongelovige
medemens toe nog relevant over
te komen, we moeten afrekenen met de bekrompenheid van het
evangelicalisme van de vorige eeuw.
Meer dan dertig jaar truttigheid en fundamentalistische
geslotenheid - nee, we moeten ons meer plooien
naar de tijdgeest. De mensen begrijpen ons anders niet, want we spreken
een andere taal. In de jaren 90
van de vorige eeuw werd het bestaan van een ‘kloof'
geconstateerd. Ineens die kloof. Conferenties over
de kloof. Maar ik vraag: is er ooit iets anders geweest dan een kloof
tussen geloof en ongeloof?
Laat me enkele bijbelpassages aanvoeren. Lees Lukas 16:26: ‘er is
tussen ons en u een onoverkomelijke
kloof' (een chasma mega), zegt Abraham tegen de rijke vrek die na zijn
dood in een vlam gevangen is.
Wat dan vaste bestemming is, is nu tussen mensen al openbaar.
Hoe kun je een vriend van de wereld zijn, en tegelijk vriend van Jezus?
We maken ons druk over hoe
wij de kloof moeten overbruggen, en vergeten dat de Enige die werkelijk
en kloof tussen God en
wereld overbrugde Jezus was. ‘Alzo lief heeft God de wereld
gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon
gegeven heeft ...' (Johannes 3:16). Diezelfde Johannes zegt tegen ons:
‘Hebt de wereld niet lief'
(1 Johannes 2:15). God heeft de wereld lief, maar wij mogen dat niet
(‘Indien iemand de wereld liefheeft,
de liefde des Vaders is niet in hem'). Pas dus op: het oneindige
verschil tussen God en mens
valt nooit weg. Wij kunnen geen geestelijke kloven overbruggen. We
overschatten onszelf dan niet alleen,
maar verstaan ook onze opdracht verkeerd.
Het doel, relevantie van het evangelie voor deze tijd, heiligt nooit de
middelen. Toen Jezus constateerde
dat het tempelplein niet meer de plaats was waar heidenen God konden
ontmoeten, veegde Hij de stoep
van Gods huis schoon (Mattheüs 21:12-13). Het tempelplein was
bedoeld om heidenen voor God te
brengen, maar allerlei goedbedoelde wereldse aanpassingen bleken in de
weg te staan. Zo kan in de kerk
allerlei ‘gedoe' de heiden eerder van God afhouden dan tot Hem
leiden. Laagdrempelige aanpassingen om
de kloof te overbruggen kunnen de kerkelijke stoep in een pretpark
veranderen, een circus waar Hij niets
mee te maken heeft. Ongelovigen verwarren het circus met de ware
godsdienst, en worden zodoende van
meet af aan op het verkeerde been gezet. Zodra de tegenvallers komen en
het prettige gevoel voorbij is,
stort het Godsvertrouwen ter aarde. We leiden jonggelovigen zo op voor
een anti-rationalistisch
sentimentalisme, met een hoog André Hazes gehalte. Veel
religieus vermaak krijgt daardoor een infantiel
karakter, en Oedipus zit weer ongemerkt achter zijn vader aan.
Laagdrempeligheid is het wachtwoord geworden voor iedere zichzelf
respecterende evangelische gemeente.
De kloof moet gedicht worden: artiesten demonstreren hun kunnen,
pasbekeerde VIPs geven acte de
présence, stoer-uitziende vechtsporters slaan dikke planken voor
Jezus door, en vooral: veel decibellen
overtuigen de jeugd ervan dat de tijd van truttigheid voorbij is. Ik
meen dat dit ons op den duur los van
God maakt, namelijk: omdat we ons afhankelijk stellen van ‘de
wereldgeesten' (stoicheia). We vertrouwen
meer op de kracht van de tijdgeest (dat is immers onze brug), dan op
Gods Geest.
Kerkgang verwordt dan tot een geestelijke hobby: net zoals
voetbalverenigingen sportliefhebbers aantrekt,
zo trekt de kerk mensen die God als hobby hebben. Als zij maar genieten
en uit hun dak kunnen gaan.
Het evangelie wordt zo gecompromitteerd, dat er weinig of niets meer
van God bij aanwezig is. Menselijk
vermaak is op zich niet verkeerd - begrijp me goed - maar
meen niet dat er veel van God in zit (ga van
mijn part helemaal uit je dak, maar noem het daarom niet per definitie
iets van God). Dat is een o-zo-
verkeerde opvatting. We denken soms groots over ervaringen, omdat die
ons in het volle leven raken.
Maar waarom zien we God zo snel waar Hij niet is? (Denken wij nou
werkelijk dat God in veel herrie
woont?)
Een voorbeeld van noncompromitteerbaarheid lezen wij in Handelingen
16:16-18. Daar achtervolgt een
waarzeggende vrouw Paulus en zijn
vrienden dagenlang. Zij roept daarbij: ‘Deze mensen zijn
dienstknechten
van de allerhoogste God, die u de weg tot behoudenis
boodschappen'. Wij, met ons dogma van relevantie
en laagdrempeligheid, zouden nu zeggen: laat haar gaan, want wat zij
zegt is waar, en gratis reclame kunnen
we best gebruiken. Geef haar het woord zelfs in de samenkomst -
een locale VIP die ons steunt, staat goed!
Maar haar geblèr begint Paulus tegen te staan, en hij werpt de
duivelse geest uit haar. Het evangelie is niet
gediend van of door onverwachte bijval uit het heidense kamp.
Integendeel. Otto Bauernfeind schreef daar
ferme taal over in zijn commentaar op het boek Handelingen (Die
Apostelgeschichte [THNT 5; Leipzig,
1939]): ‘die Wahrheit ist hier vielmehr Deckmantel der Bosheit';
deze waarheid is ‘eine Schweinwahrheit',
om zo de Delphische god Apollo ook tot god voor de christenen te
kronen. Nee, de geestelijke
kloof zelf overbruggen is een vorm van vroom zelfbedrog.
We moeten radicaal een andere kant uit. Ik meen dat het onze taak en
roeping is om de kloof juist groter
te maken. Welke notie hebben wij anders van ‘het heilige'? Het
heilige is toch nog altijd een ‘tegenover',
of niet soms?. Als wij ‘in heiliging' geroepen zijn (zoals Paulus
formuleert, 1 Thessalonicenzen 4:7), dus
in een ‘tegenover', hoe kunnen we dan nog in een ‘voorover'
willen staan? De kerk heeft niet een
vooroverse, maar een tegenoverse taak. In veel opzichten moet zij
positie tegenover de wereld innemen.
Dat hoeft haar in het geheel niet terug te dringen in wereldmijding of
isolationisme. Om haar taak goed te
kunnen doen, dient zij zich juist uitvoerig op de hoogte te stellen van
wat er omgaat in maatschappij en
cultuur.
Een buitengewoon interessante bijdrage tot een bijbelse en kritische
cultuurreflectie biedt Robert Gundry
in zijn boek Jesus the Word According to John the Sectarian. A
Paleofundamentalist Manifesto for
Contemporary Evangelicalism, Especially Its Elites, in North America
(Grand Rapids: Eerdmans, 2002).
Men is, zo observeert Gundry, vandaag de dag sterk geneigd om Johannes'
exclusivisme te temperen en
te ontdoen van scherpe kantjes. Geheel tegen de geest van
Johannes in - zijn radicale scheiding
tussen ‘hier' en ‘daar', zijn gerichtheid op het
‘woord van boven' en het eeuwige - is de trent onder
evangelicalen om op acute relevantie hier-en-nu gericht te zijn. Veel
onderwijs gaat over slechts de praktijk
van het christelijke leven, nauwelijks over noties en concepten als
hemel en hel, eeuwig leven en eeuwige
straf, zonde en schuld. Veel evangelischen zijn er zelfs niet zo zeker
meer van dat Jezus Christus de enige
weg tot God is.
Gundry waarschuwt daarom tegen de ‘seeker-sensitivity', want het
kan zomaar zijn dat de kerkbezoekers
de dienst gaan uitmaken. De kerk dient op wat het volk prettig vindt.
"The ‘seeker-sensitivity' of
evangelicals - their practice of suiting the gospel to the felt
needs of people, primarily the bourgeoisie -
contributes to their numerical success but can easily sow the seeds of
worldliness ... How so? Well, in a
society such as ours where people do not feel particularly guilty
before God (though in fact they are),
seeker-sensitivity - if
consistently carried through - will softpedal the preaching of
salvation from sin,
for such preaching would not meet a felt need
of people. As a result, the gospel message of saving,
sanctifying
grace reduces to a gospel massage of physical, psychological, and
social well-being that
allows wordliness to flourish."
"The seeker-sensitivity of contemporary evangelicalism has
produced a consumerized version of Christianity
that can be understood as of a piece with this postmodern revolt
of popular, mass culture against high
modernism (cf. the kitsch and schlock of much Christian
television)."
Met ‘wereldgelijkvormigheid' (‘worldliness') bedoelt Gundry
‘not merely the disregard of fundamentalist
taboos against smoking, drinking, dancing, movie-going, gambling and
the like, but more expansively such
matters as materialism, pleasure-seeking, indiscriminate enjoyment of
salacious and violent entertainment,
immodesty of dress, voyeurisme, sexual laxity, and divorce (cf.
... 1 John 2:16)' (p. 77, noot 18). Gundry
rekent voor dat uit onderzoeken bleek dat in december 1999 27% van hen
die zichzelf als wedergeboren
beschouwen in de USA gescheiden zijn of
dat zijn geweest (tegen 24% onder hen die niet wedergeboren
zijn). Het echtscheidingspercentage is echter 34% onder hen die tot
non-denominationale protestantse
kerken behoren, dus die uitsluitend als evangelicaal te boek staan.
Ter afsluiting van deze gedachte zij Efeze 4:20 geciteerd: ‘Maar
gij geheel anders, gij hebt Christus leren
kennen'. De NBG-vertaling van 1951 heeft het Grieks humeis de ouch
hout s emathete ton Christon
zwak vertaald. De twee zinnetjes zijn één zin:
‘Maar zó hebt gij Christus niet leren kennen' (Petr.
Canisius
vertaling). Nog beter is: ‘Maar zo hebben júllie Christus
toch niet leren kennen!' Met andere woorden:
zo anders dan de andere Efeziërs zijn deze gelovigen nog niet,
alhoewel zij wel voor het anders-zijn
geroepen zijn. Christus leren kennen impliceert een ‘ander'
leven. Zo ‘anders' zijn wij ook nog niet -
wij lijken zo verschrikkelijk veel op alle andere mensen, en zijn er
nog trots op ook. Wat zijn we
zelfingenomen en zelfvoldaan als het om ons aangepaste gedrag gaat. Als
excuus wordt de ene na de
andere ‘Schweinwahrheit' opgedist: ‘Waarom bezoek jij nog
steeds de kroeg?' ‘Omdat ik zo het contact
met mijn oude vrienden kan bewaren en hen kan vertellen van Jezus.'
‘Waarom kijk jij naar allerlei ranzige
films op TV?'. ‘Omdat ik er dan over kan meepraten - en je
moet als christen je hoofd toch niet in de
grond steken; en overigens, ze doen me niets hoor.' ‘Waarom
zingen jullie alleen maar uit Opwekking?'
‘Omdat dit genre de ongelovigen het meest aanspreekt - niet
omdat we muzikaal dan zelf beter uit de
verf komen, of omdat we zelf niets zouden hebben met andere bundels.'
Mijn twijfels over aanpassing van de kerk bij de cultuur deel ik onder
meer met Prof. A. van de Beek.
Ik verwijs naar zijn in boekvorm uitgewerkte inaugurele rede als
hoogleraar Symboliek aan de VU, vul
hem aan en vat zijn hoofdgedachte samen (Ontmaskering: Christelijk
geloof en cultuur [Zoetermeer:
Meinema, 2001] 9-95). Van de Beek constateert dat het in kerk en
theologie gebruikelijk geworden is
om positief te staan tegenover de cultuur. Maar de voornaamste
theologen van de vroege kerk waren
ervan overtuigd dat de kerk het niet op een akkoordje met de cultuur
kan gooien. Daarom streden zij zo
heftig tegen de invloeden van de kerkelijke gnostiek. Overigens,
er zijn volgens Van de Beek ook
nu nog duidelijke trekken van Marcion binnen de theologie te bespeuren,
vooral onder evangelischen.
Grofweg komt het Marcionitisme hier op neer: God kan voor een lijdende
wereld niet verantwoordelijk
worden gehouden. God is slechts direct betrokken op het radicaal
nieuwe, en juist in evangelische kringen
wordt ‘vaak scheiding aangebracht tussen oud en nieuw die heel
veel aan Marcion doet denken'. Zo
wordt de God van het Oude Testament gedeclasseerd tot tweederangsgod
(of ‘jodengod'), en wordt de
Vader van Jezus de hoogste God. Neo-Marcionieten leven alsof zij aan
lijden, leven, zonde en schuld
ontrukt zijn (docetisering). Zij leven in een idylle - afgelopen
zondag hoorde ik nog een predikant zeggen:
‘God kent geen enkel gevoel van wraak'; ik dacht: om dat te
zeggen, moet je wel het Oude Testament uit
je bijbel hebben gescheurd. Maar het is geheel aangepast aan het
levensgevoel van deze tijd om zoiets te
zeggen, en zeer laagdrempelig. Je kunt scoren met zinnetjes als:
‘God kan er niets aan doen dat er lijden is,
en Hij koestert nooit rancune.' Wie zich op dit hellend vlak van
postmoderne gnostiek begeeft, komt uit bij
een theologisch failliet, zoals Clark Pinnock en Robert Brow
(Ontketende liefde. Een evangelische theologie
voor de 21e eeuw
[Gorinchem, 2001; Engelse editie 1994]). Failliet
betekent: men geeft meer uit dan in
werkelijkheid gedekt is. Ik ageer
tegen het ongedekte primaat van Gods liefde.
Onze cultuur anno 21e eeuw, aldus Van de Beek, vertoont - meer dan
in de afgelopen 17 eeuwen het
geval was - gelijkenis met het Hellenisme (ook bloeit het
neo-Nietzscheanisme). Dat moet ons
buitengewoon kritisch maken op cultuurchristendom. De verbinding
van geloof en macht is geen
incident in de kerkgeschiedenis, en steeds zien volgende generaties hoe
heilloos die verbinding is.
‘Cultuurchristendom is gedoemd om te
verdwijnen'.
Dit voortdurend-verdwijnende karakter van het cultuurchristendom moet
ons achterdochtig maken naar
tijdgericht activisme (vgl. 1 Korinthiërs 7:31b). Treffend
schrijft Van de Beek dat Gods Geest ons een
hermeneutiek van het wantrouwen leert om overal waar niet de trouw van
Christus is, het ware gezicht
van de wereld te ontmaskeren. Dit gezicht staat gelijk aan het laatste
‘grote verhaal' dat de pomo-mens
nog kent: ‘dat van het botte kapitalisme'. De macht van het
geld, de plutocratie en de cleptocratie,
is de nu heersende levensfilosofie. En het byzantijnse christendom
heeft tot schade en schande aangetoond
dat de kerk zich niet met de schatkist van de keizer moet bemoeien.
Christenen zouden het verschil tussen
de bloedgetuigen, die voor de leeuwen geworpen werden, en het
byzantijnse christendom eens goed op
zich moeten laten inwerken, ‘en zich honderdmaal bedenken voordat
ze positief de cultuur in het kerkelijke
huis toelaten'. (cf. Het oude Rome - christenen versus een
ideologieloos hedonisme; Colosseum,
entertainment tot de dood erop volgt; de catacomben.)
Het stuit velen tegen de borst om zo wantrouwig te zijn. Van de Beek
poneert evenwel: ‘Dat de algemene
zondigheid een somber
calvinistisch verhaal zou zijn is juist. Maar dat verhaal is wel de
waarheid. Dat is
nu juist de ellende. Was het maar niet waar. Maar helaas, het is nu
eenmaal zo en je moet wel flink
oppervlakkig zijn om aan de algemene ellende van de wereld voorbij te
gaan'. Met een optimistische
mensvisie kunnen christenen van oudsher niet uit de voeten. Ging Van de
Beek vroeger nog van het
standpunt uit dat alleen theologie niet door ongelovigen bedreven kan
worden, nu geldt dat volgens hem
ook voor de antropologie. In de antropologie wordt, volgens mij,
nauwelijks rekening gehouden
met de categorie ‘voorlopigheid'. Elk mens is hier maar
tijdelijk, en die tijdelijkheid brengt hij door in
boosheid. Prediker schrijft: ‘Dit is het ergste, dat onder de zon
geschiedt: dat allen eenzelfde lot treft;
daarom is het hart der mensenkinderen vol boosheid en is er
verdwaasdheid in hun hart hun leven lang;
en daarna gaat het naar de doden' (9:3). De kerk moet juist daarom weer
leren wat vreemdelingschap
impliceert, beweert Van de Beek. We zijn dus van nature pelgrims,
‘wij hebben hier geen blijvende
stad' (Hebreeën 13:14). ‘Hé christen, jij hoort hier
niet thuis.' Daar kan onze hysterische cultuur geen kant
mee op. We moeten meer over de hemel gaan spreken. Wij, als,
christenen, bestaan als vreemdelingen,
en botsen tegen onze eindigheid aan. Dat staat op gespannen voet met
een cultuur die belooft dat de bomen
tot in de hemel groeien.
Christelijke identiteit is geen set van waarden en normen, of een
credo, een structuur of organisatie, een
programma dat we kunnen aanleren. Christelijke identiteit is gegeven in
gemeenschap met de Here Jezus
Christus in het gewone leven. Christelijk geloof is daarom niet
maar één zoekontwerp onder de vele
(zoals Kuitert verdedigt) - volgens Van de Beek is christelijk
geloof niet een van de alternatieven op de
ideeënmarkt. ‘Het is de waarheid Gods'. Vanuit die
vooringenomenheid opteert Van de Beek voor
een theologieopleiding met twee spitsen: het kennen van de eigen
traditie (en de gemeenschap met Christus
daarbinnen), en het kennen van
de niet-christelijke wereld. Studie van de vroege kerk moet
daarbinnen een centrale plaats krijgen (patristiek). De roep om steeds
meer praktische theologie is uit de
hand gelopen. De jonge theoloog is niet gebaat bij nog meer aansluiting
bij de menswetenschappen
(psychologie, gemeentegroei 1,2,3 ..., management): Van de Beek roept
ons terug ‘zu der Sache selbst'
. Christelijke theologie hoeft zich daarbij niet in een ghetto
(en duplex ordo) laten wegdrukken,
maar zal eigen wetenschap en cultuur gaan ontwikkelen. De gedachten van
Van de Beek zijn gewaagd
en vragen om meer afweging en doordenking. Wij doen daar nu al ons
voordeel mee, en grotendeels
deel ik zijn analyse. Ik wil nu ook naar een afronding toewerken.
Evangelischen zijn druk op zoek naar identiteit. En dat valt niet mee,
want identiteiten vallen bij bosjes,
zoals de Spaanse socioloog Manuel Castells heeft aangetoond, zonder dat
zij hoeven te worden vervangen.
Er wordt bovendien beweerd dat de evangelische beweging voornamelijk
slechts een sociologisch en niet
theologisch te definiëren
fenomeen is. Maar dat vind ik een versmalling van het bestaansrecht dat
evangelischen juist theologisch hebben afgedwongen. Evangelisch is meer
dan een aantal neuzen die
toevallig, bij een sociologische momentopname, dezelfde kant uitwijzen.
Evangelisch betekent, en ik maak hierin een eigen keuze, opstandig en
verzettelijk, want radicaal. Die
radicaliteit ontlenen evangelischen aan het kruis van Christus, en
uitsluitend aan het kruis (stauros). Ik
acht de staurocentriciteit kenmerk, keurmerk en waarmerk van de
evangelische beweging. Radicaal
daarbij blijven, bij een theologia crucis, en een radicale toepassing
daarvan in het leven van alle mensen,
dat wil zeggen: op heel de wereld, dat maakt evangelisch tot
evangelisch. Luther deed dat in zijn dagen,
en de evangelische beweging wilde die reformatie op eigen wijze
radicaliseren. Maar nu is zij het compromis
aangegaan, omdat over zonde
en schuld nauwelijks nog gesproken wordt. Dus waarom zou je dan wel
blijven spreken van het kruis? Daar kun je de mensen namelijk niet blij
mee maken - dat schept een kloof
en afstand. Nee, daarom praten we veel over Gods liefde, en willen we
daar eigenlijk bij blijven.
Dat heeft theologisch enorme gevolgen, want slechts onder de
radicaliteit van het kruis krijgen heidenen
die tot Christus komen de wet niet opgelegd. Kruisvrije evangelischen
lopen dus het gevaar hun toravrijheid
te verspelen. Want: hoe minder kruis, hoe meer gebod. Maar hoeveel
kruis kunnen evangelischen weglaten
zonder hun identiteit te verliezen? Hoeveel noten maken een
‘Nuts' tot een ‘Nuts'? Ik kan de vraag beter
omdraaien: hoeveel noten kun je uit een ‘Nuts' weglaten zonder
dat je moet zeggen: dat is geen ‘Nuts' meer?
‘Aiai aiai, dustanos eg ' - de pijn van Oedipus is nu
bijna voelbaar geworden. Al vermoorden wij ons
voorgeslacht niet, het gros van de evangelischen is wars van traditie.
Zo schakelt men het voorgeslacht uit,
dat meende met de waarheid getrouwd te zijn, om er zelf mee te kunnen
trouwen. Met de traditie, waarin
zoveel identiteit en geschiedenis worden overgedragen, worden ook de
theologische karakteristieken
genegeerd. Ja, men heeft wel oppervlakkige gedachten over het kruis,
maar er wordt niet meer geleefd
met de wetenschap dat ‘het uiterlijk van deze wereld bezig is te
verdwijnen' (1 Kor. 7:31b). Dat betekent
dat wereldse identiteiten in het teken van de voorlopigheid en het
einde staan: zij zijn stervende en lossen
vanzelf. Maar merk op dat christelijke identiteit juist vanuit die
verdwijning leeft. Ja, zij maakt die
voorlopigheid tot haar motto en erkent daarmee de eindigheid en
voorlopigheid van het bestaan. Ook
haar eigen zichtbare gestalte lost op. Daarom zeggen wij dat de kerk in
de wereld geen gestalte heeft.
Precies zoals de lijdende knecht in de profetie van Jesaja - niets
aantrekkelijks, ‘hij had noch gestalte
noch luister' (Jesaja 53:2). De kerk heeft dat van nature ook niet, en
zij moet dat ook niet wensen. Zij
moet niet een voor de wereld aantrekkelijke gemeente willen zijn. De
kerk hoeft niet over de catwalk te
paraderen en de show te stelen, want wij zullen het als christenen niet
verder brengen dan Jezus in deze
wereld. Wij streven Hem niet voorbij - alles wat daar wel aan
voorbij gaat is kerkelijk docetisme. Hoger
springen dan het kruis kunnen wij niet. De evangelische traditie
bewaart dit geheim nu nog in zich - laat
ons daarnaar zoeken.
Ik heb gezegd.

© 2003 George Whitefield Stichting. online:
www.whitefield.nl/artikelen".