Verklaringen van Chicago
Deze Verklaringen dienen als een verheldering op
problemen die mensen kunnen hebben met betrekking
tot het omgaan met de Bijbel, de Heilige Schrift. Ze kunnen echter
alleen zinvol worden gehanteerd door
hen die niet zijn gevlucht voor of verstrikt geraakt in het postmoderne
denken, omdat daar rationeel
argumenteren wordt afgedaan als zijnde ‘rationalistisch'. Vandaar
de nadruk op een bekering (ommekeer)
van het denken (Romeinen 12:1,2), de terugkeer tot een mens- en
wereldbeeld waarin de goddelijke en
menselijke ‘elenctiek' (zie Joh. 16:8 resp. Ef. 5:11,13) weer een
plaats heeft. (De vertaling van het Griekse
werkwoord elegchoo -
Latijn arguere – is respectievelijk ‘betuigend
weerleggen' en ‘ontmaskeren'.)
In oktober 1978 heeft de International Council on Biblical Inerrancy in
Chicago een topconferentie
gehouden, waar een groot aantal theologen van naam bijeen was. Doel van
deze conferentie was om
opnieuw de leer van de onfeilbaarheid van de Heilige Schrift (Biblical
Inerrancy) te bevestigen en te
waarschuwen voor het afwijken en/of ontkennen hiervan.
In de vier jaren die volgden heeft God deze poging gezegend op een
wijze die alle verwachtingen verre
heeft overtroffen. Hiermee is een stroom van lectuur over dit leerstuk
losgekomen, die ertoe heeft geleid
dat steeds meer mensen zijn gaan inzien hoe wezenlijk belangrijk de
zaken zijn waar het hier om gaat,
tot lof en prijs van onze grote God.
De negentien stellingen van de eerste Verklaring
hebben betrekking op de
ONFEILBAARHEID EN GEZAG VAN DE HEILIGE SCHRIFT.
Elk van deze stellingen bevestigt wat evangelische
christenen (zie definitie aan het eind van paragraaf 11)
altijd hebben geloofd en zullen geloven. Ontkend worden de moderne
opvattingen die hiermee in strijd zijn.
Artikel 1
Wij bevestigen . . .
. . dat de Heilige Schriften aanvaard moeten worden als het
gezaghebbende Woord van God.
Wij
ontkennen . .
. . dat de Schriften hun gezag ontlenen aan de Kerk, aan de
traditie, of van om het even welke andere
menselijke instelling.
Artikel 2
Wij bevestigen . . .
. . dat de Schriften de hoogste geschreven norm zijn waardoor God
het geweten bindt, en dat het gezag
van de Kerk ondergeschikt is aan dat van de Schrift.
Wij
ontkennen . .
. . dat kerkelijke geloofsbelijdenissen, raden of verklaringen een
gezag hebben dat groter is dan of gelijk is
aan dat van de Bijbel.
Artikel 3
Wij bevestigen . . .
. . dat het geschreven Woord in zijn geheel door God gegeven
openbaring is.
Wij
ontkennen . .
. . dat de Bijbel louter een getuigenis is van openbaring, of
alleen openbaring wordt in de ontmoeting, of
van de reacties van mensen afhangt voor zijn geldigheid.
Artikel 4
Wij bevestigen . . .
. . dat God, Die de mensheid maakte naar zijn beeld, de taal heeft
gebruikt als een middel tot openbaring.
Wij
ontkennen . .
. . dat, doordat wij schepselen zijn, de menselijke taal zo
beperkt is dat ze ontoereikend is geworden voor
de overdracht van de goddelijke openbaring. En verder dat de
verdorvenheid van de menselijke cultuur
en taal door de zonde, Gods inspiratiewerk doorkruist heeft.
Artikel 5
Wij bevestigen . . .
. . dat er een voortschrijdende progressie was in Gods openbaring
in de Heilige Schriften.
Wij
ontkennen . .
. . dat latere openbaring, die eerdere openbaring zou kunnen
vervullen, deze ooit corrigeert of
tegenspreekt.
. . dat er verdere normatieve openbaring is gegeven sinds de
afsluiting van de nieuwtestamentische
geschriften.
Artikel 6
Wij bevestigen . . .
. . dat de gehele Schrift en al haar delen, tot en met de woorden
zelf van het origineel, gegeven werden
door goddelijke inspiratie.
Wij
ontkennen . .
. . dat de inspiratie van de Schrift op een juiste wijze kan
worden bevestigd aangaande het geheel
zonder de delen, of aangaande bepaalde delen, maar niet aangaande het
geheel.
Artikel 7
Wij bevestigen . . .
. . dat de inspiratie het werk is waardoor God door de Heilige
Geest door middel van menselijke
schrijvers ons zijn Woord gaf. De oorsprong is goddelijk, de wijze van
inspiratie is een geheimenis.
Wij
ontkennen . .
. . dat inspiratie kan worden herleid tot menselijk inzicht of tot
enige staat van verhoogd bewustzijn.
Artikel 8
Wij bevestigen . . .
. . dat God in zijn inspiratiewerk gebruik maakte van de
verschillende persoonlijkheden en literaire
stijlen van de schrijvers die Hij had gekozen en voorbereid.
Wij
ontkennen . .
. . dat God door deze schrijvers exact die woorden te laten
opschrijven die Hij koos, daarmee hun
persoonlijkheid uitschakelde.
Artikel 9
Wij bevestigen . . .
. . dat, alhoewel inspiratie geen alwetendheid verleende, zij wel
ware en betrouwbare uitspraken
garandeerde aangaande alle zaken waarover de bijbelschrijvers werden
bewogen te spreken en
te schrijven.
Wij ontkennen . .
. . dat de eindigheid die het gevolg is van de zondeval, bij deze
schrijvers noodzakelijkerwijs ook
verdraaiing of vervalsing in Gods Woord heeft gebracht.
Artikel 10
Wij bevestigen . . .
. . dat inspiratie strikt genomen alleen van toepassing is op de
oorspronkelijke handschriften, waarvan
de tekst met grote nauwkeurigheid vastgesteld kan worden.
. . dat kopieën en vertalingen het Woord van God zijn in
zoverre zij getrouw het origineel weergeven.
Wij
ontkennen . .
. . dat enig essentieel element van het christelijk geloof wordt
aangetast door de afwezigheid van de
oorspronkelijke handschriften.
. . dat deze afwezigheid de stelling van de onfeilbaarheid van de
Bijbel ongeldig of irrelevant maakt.
Artikel 11
Wij bevestigen . . .
. . dat de Schrift betrouwbaar is doordat ze gegeven is door
goddelijke inspiratie zodat zij, verre van
ons te misleiden, waar en betrouwbaar is in alle zaken waarover zij
spreekt.
Wij ontkennen . .
. . dat het mogelijk is dat de Bijbel tegelijk betrouwbaar is en
dwaalt in haar uitspraken. Betrouwbaar-
heid en onfeilbaarheid kunnen worden onderscheiden, maar niet
gescheiden.
Artikel 12
Wij bevestigen . . .
. . dat de Schrift in haar geheel onfeilbaar (‘inerrant')
is, vrij van dwaling en bedrog.
Wij
ontkennen . .
. . dat de bijbelse onfeilbaarheid beperkt is tot geestelijke en
godsdienstige onderwerpen, zoals die welke
slaan op de verlossing, en dat uitspraken op het gebied van
geschiedenis en wetenschap feilbaar zouden zijn.
. . dat wetenschappelijke hypotheses over de geschiedenis van de
aarde mogen worden gebruikt om datgene
wat de Schrift leert over schepping en zondvloed omver te werpen.
Artikel 13
Wij bevestigen . . .
. . de juistheid van het begrip ‘onfeilbaarheid' als een
theologische term wanneer het gaat over de volledige
nauwkeurigheid van
de Schrift.
Wij
ontkennen . .
. . dat het juist is de Bijbel te beoordelen aan de hand van
normen van waarheid en dwaling die vreemd zijn
aan haar gebruik of doel.
. . dat er fouten in de Bijbel zouden voorkomen als gevolg van het
feit dat de meeste bijbelschrijvers geen
wetenschappers zouden zijn
maar, net als wijzelf, de natuur beschrijven vanuit het standpunt van
de
waarnemer, stijlfiguren gebruiken zoals overdrijving of gebruik maken
van ronde getallen en vrije citaten.
Artikel 14
Wij bevestigen . . .
. . de innerlijke eenheid en logische samenhang van de Schrift
Wij
ontkennen . .
. . dat vermeende fouten en afwijkingen waarvoor nog geen
verklaring is gevonden, de bijbelse aanspraken
op waarheid teniet doen.
Artikel 15
Wij bevestigen . . .
. . dat de leerstelling van de onfeilbaarheid gegrond is in de
leer van de Bijbel aangaande de inspiratie.
Wij
ontkennen . .
. . dat Jezus' onderwijs aangaande de Schrift terzijde kan worden
geschoven door een beroep te doen op
Jezus als ‘kind van zijn tijd' of op enige natuurlijke beperking
vanwege Zijn mens zijn.
Artikel 16
Wij bevestigen . . .
. . dat de leer van de onfeilbaarheid altijd een integrerend deel
is geweest van het geloof van de Kerk der
eeuwen.
Wij
ontkennen . .
. . dat onfeilbaarheid een leerstelling is die zou zijn
uitgevonden door scholastisch protestantisme of niet
meer dan een reactie is op de negatieve hogere bijbelkritiek
Artikel 17
Wij bevestigen . . .
. . dat de Heilige Geest getuigenis aflegt aangaande de Schriften,
door gelovigen te verzekeren van de waarachtigheid
van Gods geschreven
Woord.
Wij
ontkennen . .
. . dat dit getuigenis van de Heilige Geest werkzaam is los van,
of zelfs tegen de Schrift in.
Artikel 18
Wij bevestigen . . .
. . dat de tekst van de Schrift moet worden geïnterpreteerd
met behulp van grammaticaal-historische
exegese, rekening houdend met haar literaire vormen en werkwijzen, en
dat de Schrift zichzelf behoort
uit te leggen.
Wij
ontkennen . .
. . de geldigheid van enige behandeling van de tekst of het
onderzoek naar de onderliggende bronnen,
die leidt tot relativering, ontkenning van het historische karakter,
afbreuk van zijn onderwijs of verwerping
van zijn aanspraken inzake auteurschap.
Artikel 19
Wij bevestigen . . .
. . dat het belijden van het volledige gezag, de betrouwbaarheid
en onfeilbaarheid van de Schrift van vitaal
belang is voor een zuiver begrip van het christelijk geloof.
. . dat zulk een belijden zou moeten leiden tot een groeiende
gelijkvormigheid aan het beeld van Christus.
Wij
ontkennen . .
. . dat zulk een belijden noodzakelijk is voor het heil. Niettemin
ontkennen wij verder dat onfeilbaarheid
kan worden verworpen zonder ernstige consequenties, zowel voor de
individuele gelovige als voor Christus'
gemeente.
De vijfentwintig stellingen van de
tweede Verklaring hebben betrekking op de
INTERPRETATIE EN VERSTAAN VAN DE HEILIGE SCHRIFT.
Artikel 1
Wij bevestigen . .
. . dat het normatieve gezag van de Heilige Schrift het gezag van
God Zelf is, dat bevestigd wordt door
Jezus Christus, de Heer der Kerk.
Wij
ontkennen . .
. . dat het gewettigd is het gezag van Christus te scheiden van
het gezag van de Schrift, of het ene tegen-
over het andere te stellen.
Artikel 2
Wij bevestigen . .
. . dat zoals Christus God en Mens is in één
Persoon, zo ook de Schrift ondeelbaar Gods Woord in
menselijke taal is.
Wij
ontkennen . .
. . dat de nederige, menselijke vorm van de Schrift falen met zich
meebrengt, evenmin als de menselijkheid
van Christus, ondanks zijn vernedering, zonde met zich meebracht.
Artikel 3
Wij bevestigen . .
. . dat de Persoon en het werk van Jezus Christus het brandpunt is
van de gehele Bijbel.
Wij
ontkennen . .
. . de juistheid van elke methode van uitleg die de centrale
plaats van Christus in de Schrift verwerpt of
doet vervagen.
Artikel 4
Wij bevestigen . .
. . dat de Heilige Geest, Die de Schrift inspireerde, hierdoor
heden handelt om geloof in haar boodschap
te werken.
Wij
ontkennen . .
. . dat de Heilige Geest ooit iemand iets onderwijst dat in
tegenspraak is met het onderwijs van de Schrift.
Artikel 5
Wij bevestigen . .
. . dat de Heilige Geest gelovigen in staat stelt zich [de inhoud
van] de Schrift toe te eigenen en in hun leven
toe te passen.
Wij
ontkennen . .
. . dat de natuurlijke mens in staat is om los van de Heilige
Geest, de bijbelse boodschap geestelijk te onderscheiden.
Artikel 6
Wij bevestigen . .
. . dat de Bijbel Gods waarheid uitdrukt in propositionele
verklaringen en wij verklaren dat bijbelse waarheid
zowel objectief als absoluut is.
. . dat een uitspraak waar is als ze de dingen voorstelt zoals ze
werkelijk zijn, maar een dwaling is als de
dingen op verkeerde wijze voorstelt.
Wij
ontkennen . .
. . dat, aangezien de Schrift in staat is ons wijs te maken tot
zaligheid, bijbelse waarheid in zou moeten worden
gedefinieerd in
termen van deze functie.
. . dat dwaling zou moeten worden gedefinieerd als datgene wat
opzettelijk misleidt.
Artikel 7
Wij bevestigen . .
. . dat de betekenis die tot uitdrukking komt in een bijbelse
tekst enkelvoudig, bepaald en vastomlijnd is.
Wij
ontkennen . .
. . dat de erkenning van deze enkelvoudige betekenis de
verscheidenheid van haar toepassing uitsluit.
Artikel 8
Wij bevestigen . .
. . dat de Bijbel leringen en voorschriften bevat die toepasbaar
zijn in alle culturen en situaties, en andere
voorschriften waarvan de
Bijbel zelf aantoont dat ze alleen van toepassing zijn in bijzondere
situaties.
Wij
ontkennen . .
. . dat het onderscheid tussen universele en bijzondere
voorschriften van de Schrift kan worden bepaald
aan de hand van culturele en situationele factoren.
. . dat universele voorschriften ooit mogen worden behandeld als
afhankelijk van cultuur en situatie.
Artikel 9
Wij bevestigen . .
. . dat de term ‘hermeneutiek' (die historisch gesproken de
regels van de exegese aanduidt) terecht kan
worden uitgebreid om alles te omvatten wat betrokken is bij het proces
van onderzoek naar de betekenis
van de bijbelse openbaring en hoe deze betrekking heeft op ons leven.
Wij
ontkennen . .
. . dat de boodschap van de Schrift voortkomt uit, of wordt
bepaald door de opvatting van de uitlegger.
. . dat de ‘horizonten' van de
bijbelschrijver en de uitlegger zodanig kunnen ‘samensmelten' dat
hetgeen
de tekst meedeelt aan de uitlegger, niet uiteindelijk wordt
gecontroleerd door de uitdrukkelijke betekenis
van de Schrift.
Artikel 10
Wij bevestigen . .
. . dat de Schrift Gods waarheid met woorden meedeelt via een
grote verscheidenheid aan literaire
vormen.
Wij
ontkennen . .
. . dat enige beperking van de menselijke taal de Schrift
ontoereikend maakt om Gods boodschap over
te brengen.
Artikel 11
Wij bevestigen . .
. . dat vertalingen van de tekst van de Schrift kennis van God
kunnen overdragen over alle grenzen van
tijd en cultuur heen.
Wij
ontkennen . .
. . dat de betekenis van bijbelse teksten zo gebonden is aan de
cultuur waaruit zij voortkwamen, dat het
onmogelijk is om dezelfde betekenis in andere culturen te verstaan.
Artikel 12
Wij bevestigen . .
. . dat bij de taak van bijbelvertaling en –onderwijs in de
context van elke cultuur alleen die functionele
equivalenten mogen worden gebruikt, die recht doen aan de inhoud van
wat de Bijbel leert.
Wij
ontkennen . .
. . de rechtmatigheid van methoden die of ongevoelig zijn voor de
eisen van crossculturele communicatie,
of in dat proces de bijbelse betekenis verdraaien.
Artikel 13
Wij bevestigen . .
. . dat een goed begrip van de literaire categorieën, op het
gebied van vorm en stijl, van de onderscheiden
delen van de Schrift essentieel is voor een correcte exegese. Op grond
daarvan staan wij positief
egenover genrekritiek als een van de vele disciplines van studie van de
Bijbel.
Wij
ontkennen . .
. . dat genrecategorieën die de historiciteit ontkennen,
terecht kunnen worden opgelegd op bijbelse
verhaalstof die zichzelf presenteert als een weergave van feiten.
Artikel 14
Wij bevestigen . .
. . dat de bijbelse weergave van gebeurtenissen,
toespraken en uitspraken overeenkomt met de historische
werkelijkheid,
ook al worden zij aan ons gepresenteerd in een verscheidenheid van
literaire vormen.
Wij
ontkennen . .
. . dat enige gebeurtenis, toespraak of uitspraak die is opgenomen
in de Schrift, bedacht is door de
bijbelschrijvers of door de tradities die zij hebben verwerkt.
Artikel 15
Wij bevestigen . .
. . de noodzaak de Bijbel uit te leggen overeenkomstig zijn
letterlijke oftewel normale betekenis. De
letterlijke betekenis is de grammaticaal-historische betekenis, dat wil
zeggen de betekenis die de schrijver
tot uitdrukking bracht. Interpretatie overeenkomstig de letterlijke
(beter: woordelijke) betekenis zal
rekening houden met alle stijlfiguren en literaire vormen die in de
tekst voorkomen.
Wij
ontkennen . .
. . de rechtmatigheid van elke vorm van Schriftgebruik die haar
een betekenis toekent die niet wordt
ondersteund door de letterlijke betekenis.
Artikel 16
Wij bevestigen . .
. . dat gewettigde kritische technieken gebruikt moeten worden bij
het vaststellen van de authentieke
tekst en zijn betekenis.
Wij
ontkennen . .
. . dat het gewettigd is enige methode van bijbelkritiek toe te
staan die de nauwkeurigheid of integriteit
van de betekenis die de auteur tot uitdrukking heeft gebracht, of van
enig ander schriftuurlijk onderwijs,
in twijfel trekt.
Artikel 17
Wij bevestigen . .
. . de eenheid, harmonie en innerlijke samenhang van de Schrift en
verklaren dat zijzelf haar beste
uitlegger is.
Wij
ontkennen . .
. . dat de Schrift kan worden uitgelegd op een wijze alsof het ene
gedeelte een ander gedeelte zou
corrigeren of tegenspreken.
. . dat laters auteurs van de Schrift eerdere gedeelten van de
Schrift verkeerd hebben uitgelegd toen ze
die citeerden of ernaar verwezen.
Artikel 18
Wij bevestigen . .
. . dat wanneer de Bijbel zichzelf interpreteert, deze uitleg
altijd juist is en nooit afwijkt van de
enkelvoudige betekenis, maar deze veeleer toelicht. De enkelvoudige
betekenis van de woorden
van een profeet omvat het begrip dat die profeet van zijn woorden had,
maar is daartoe niet beperkt.
Deze omvat noodzakelijkerwijs de bedoeling van
God, zoals die tot uiting komt in de vervulling van
die woorden.
Wij
ontkennen . .
. . dat de auteurs van de Schrift altijd de volledige implicaties
van hun woorden begrepen.
Artikel 19
Wij bevestigen . .
. . dat elke vooronderstelling waarmee de uitlegger naar de
Schrift toegaat, in harmonie dient te zijn met
het onderwijs van de Schrift en open staan voor haar correctie.
Wij
ontkennen . .
. . dat van de Schrift zou moeten worden verlangd dat zij strookt
met vooronderstellingen die haarzelf
vreemd zijn, zoals naturalisme, evolutionisme, sciëntisme,
atheïstisch humanisme en relativisme.
Artikel 20
Wij bevestigen . .
. . dat aangezien God de Auteur is van alle waarheid, elke
waarheid binnen en buiten de Bijbel,
consistent en samenhangend moet zijn, en dat de Bijbel waarheid spreekt
ook waar zij raakt aan
zaken die verband houden met de natuur, de geschiedenis of wat dan ook.
. . dat in sommige gevallen buitenbijbelse gegevens waardevol zijn
om te verduidelijken wat de Schrift
leert, en om aan te sporen foutieve interpretaties te corrigeren.
Wij
ontkennen . .
. . dat buitenbijbelse denkbeelden ooit in staat
zijn iets wat de Schrift leert, te weerleggen of
onwaarschijnlijk te maken.
Artikel 21
Wij bevestigen . .
. . de overeenstemming tussen bijzondere openbaring en algemene
openbaring, en daarmee van het
onderwijs van de Bijbel met de feiten van de natuur.
Wij
ontkennen . .
. . dat enig wetenschappelijk feit onverenigbaar zou zijn met de
ware betekenis van enige passage
van de Schrift.
Artikel 22
Wij bevestigen . .
. . dat de tekst van Genesis 1 - 11 een feitelijk
verslag geeft, evenals de rest van dit bijbelboek.
Wij
ontkennen . .
. . dat het onderwijs van Genesis 1 – 11 van
mythische aard is
. . dat er beroep kan worden gedaan op wetenschappelijke
hypothesen over de geschiedenis van de
aarde of de oorsprong van de mensheid om datgene wat de Schrift leert
over de schepping, in twijfel
te trekken.
Artikel 23
Wij bevestigen . .
. . de duidelijkheid van de Schrift en in het bijzonder van haar
boodschap over de redding van zonde.
Wij
ontkennen . .
. . dat alle passages van de Schrift even duidelijk zijn of van
even groot belang zijn voor de boodschap
van verlossing.
Artikel 24
Wij bevestigen . .
. . dat iemand voor het verstaan van de Schrift niet afhankelijk
is van de deskundigheid van bijbel-
wetenschappers.
Wij
ontkennen . .
. . dat iemand geen rekening zou hoeven houden met de resultaten
van de technische studie van de
Schrift door bijbelwetenschappers.
Artikel 25
Wij bevestigen . .
. . dat de enige vorm van prediking die in voldoende mate de
goddelijke openbaring en haar correcte
toepassing voor het leven overbrengt, die vorm is die getrouw de tekst
van de Schrift uiteenzet als het
Woord van God.
Wij
ontkennen . .
. . dat de prediker enige boodschap van God heeft, los van de
tekst van de Schrift.
