Baptisten
en de uitdaging van de mensgecentreerde tijdgeest
Door dr H. Bakker
Inleiding.
Mij is
in de afgelopen jaren gebleken dat er onder Baptisten behoefte
is aan een heroriëntatie op
Woord
en theologie, in combinatie met gemeente en identiteit, niet
zozeer aan nieuwe methoden
van
gemeentegroei en gemeente opbouw. Er kan zelfs gesproken worden van
een identiteitscrisis.
Wat is
een Baptistengemeente? De diversiteit aan antwoorden van
doorsnee gemeenteleden doet
denken
aan het verhaal van de blinden en de olifant. Ieder houdt zelf
wat in de hand, en dat is de
olifant
(slurf is een slang, de staart een touw, de poot een boom, de
slagtand een speer). Een
postmoderne
student zou zeggen: dat is niet erg, dat is ook allemaal
Baptisme. Ja, en niet alleen
de
Baptistenkerk, maar het verhaal, zo zal deze student zeggen, is ook
van toepassing op God.
Zelfs
God is als een kosmische olifant; alle kerken en alle geloven
hebben een deel van de
goddelijke
werkelijkheid in de hand (cf. D.A. Carson, The Gagging of
God).
Deze
postmoderne benadering geeft al aan, dat we moeten oppassen.
Identiteit is geen
samenraapsel
van deelwaarheden. Daarom begin ik met een korte
historische verkenning van
de
identiteit van het Baptisme. Van daaruit beschrijf ik de huidige
tijdgeest, en hoe de tijdgeest
identiteitsveranderend
inwerkt op de kerken. Tenslotte spreek ik enkele
verwachtingen en
aanbevelingen
uit.
Eigen
karakter van het Nederlandse Baptisme.
Het
Nederlandse Baptisme is een stekje van eigen bodem. Toen de kerkelijke
tuin in de 19e
eeuw
flink werd omgeploegd (na-Franse tijd, Verlichting, ethische
theologie, H. de Cock en de
Afscheiding
in 1834, sociale veranderingen), schoot ineens, onbedoeld,
een nieuwe plant op uit
de
grond. Zwak, kwetsbaar, maar zeer levensvatbaar.
Johannes
Elias Feisser (1805) was Hervormd theoloog en predikant, en
echt een student van de
Groninger
richting. Men knoopte aan bij het goede in de mens, de
ethische en verlichte zedelijkheid.
Een
typische compromistheologie (P. Hofstede de Groot). Door diverse
crises is zijn leven en
bediening
begon Feisser te veranderen - in 1841 brak hij met zijn
leermeesters en de theologie
die
zij voorstonden. Feisser kwam tot overgave aan Christus. Waarom?
Daar is niet helemaal de
vinger
op te leggen, maar duidelijk is dat voor Feisser de factor
"mens" was uitgespeeld. Feisser
bekeerde
zich van zijn antropocentrisme, en zag dat hij vergeving nodig
had. Jezus werd het centrum
van
zijn taal en verkondiging (invloed van de Puritein John Newton?
[Cardiphonia]). Rekenen met
de
notie "verlichte zedelijkheid" van de mens bleek voor Feisser een
dwaalweg. De menselijke zede,
het
religieuze gevoel, is geen natuurlijke landingsplaats voor Gods
genade. Het is duister in het
onverstandige
hart van elk mens, hoe verlicht hij zichzelf ook maar
vindt (Rom. 1; cf. Isaac Da Costa,
"Bezwaren
tegen de geest der eeuw").
In
Gasselternijveen bloeide Feissers kerk, maar de herboren predikant
kon zijn boodschap daar niet
kwijt.
Hij raakte in conflict met de kerkeraad en het Provinciale
Kerkbestuur, omdat hij tot het inzicht
kwam
dat, wil de Kerk het lichaam van Christus zijn, een doorgaande
reformatie nodig is
(ecclesia
reformata semper reformanda). Nu weigert Feisser kinderen te
dopen en onbekeerde
kerkleden
tot ouderlingen aan te stellen. Daarmee houdt hij dus vast
aan zijn eerste uitgangspunt: ware
kerkleden
zijn zij die hebben ingezien dat het vrome gevoel voor God
niet voldoende is. Het diepe
wantrouwen
naar de natuurlijke mens, zijn trots, ego, zelfhandhaving en
absolutisme, is conditio sine
qua
non, voor de gezonde bouw van een gemeente. Op nieuwjaarsmorgen
1844 stonden Feisser en
mevrouw
Feisser letterlijk op straat. Vervolgens komt Feisser in
contact met Duitse baptisten - hij
kende
het Baptisme niet - en wordt hij in 1845 vlak bij de
Nijveensche Mond gedoopt. Diverse
anderen
volgden hem, en de eerste Nederlandse Baptistengemeente was een
feit.
Soberheid
en eenvoud kenmerkten de eerste Baptistengemeente en sierden
ook meerdere kleine
Baptistengemeenschappen die weldra in de
noordelijke provincies begonnen te groeien.
Kenmerkend
voor de samenkomsten waren de begrijpelijke
christocentrische prediking en de
hechte
gemeenschap. De diensten waren gericht op de navolging en
blijdschap in Christus, en op
de
gemeenschapszin. Voor individualisme was geen ruimte. Men had elkaar
juist hard nodig
(veen-kolonies,
zware sociale omstandigheden). Men kon niet ambitieus
zijn. Menselijke ambities
staan
het werk van God alleen maar in de weg. Het werk van Christus is niet
te meten.
Dit
alles kwam tot uiting in de congregationalistische structuur van de
Baptistenkerk. Die Kerk
wordt
niet van bovenaf gedomineerd. Het priesterschap van alle
gelovigen is niet maar een belijdenis
die in
de structuur van de kerk weggemoffeld wordt. Daarom is er een
platte structuur, controleren
de
leden elkaar, en is het niet mogelijk dat het belang van de
gemeenschap geschaad wordt. Mensen
zijn
in het Nederlandse Baptisme namelijk belangrijker dan regels en
statuten. Dat is een theologische
keuze,
op grond van de Schrift. De Kerk bestaat bij de gratie van een
gemeenschap van mensen in
wie
Christus leeft. De Kerk bestaat niet bij de gratie van haar leiders
of de structuren. De Kerk is de
gemeenschap
van wedergeboren christenen - zo is zij teruggebracht
tot haar essentie - dat had Feisser
goed
gezien. De Kerk valt niet samen met haar huishoudelijk reglement,
haar liturgische gestalte, haar
uitstraling,
haar banksaldo, haar drukdoenerij en religeus gedoe. De
Kerk is niet een optelsom van
Geestesuitingen
of godsdienstige sentimenten. En staat of valt er dus
ook niet mee. Helaas wordt in
onze
tijd met deze kenmerken van de Baptistische identiteit weinig
rekening gehouden. Dit uit zich in
verlies
van en gemis aan identiteit.
Beschrijving
van de huidige tijdgeest.
De
huidige tijdgeest kenmerkt zich bij uitstek door het gebrek aan
identiteit. Alleen: men zit er niet mee;
het
gebrek wordt niet als een gemis ervaren. Het gebrek is gewoonte
geworden. We denken niet meer
in
bloedgroepen en zuilen. Identiteit vermengt zich:
Europaïsering, Americanisering, globalisering,
kosmisering,
humanisering. De wereld wordt kleiner en kleiner, en wie
wij eigenlijk zelf zijn wordt meer
en
meer onduidelijk. Dus verbeeld je niets. Heb je nu een identiteit,
dan kan die morgen veranderen.
Ik wil
daar enkele oorzaken voor aanwijzen en kort bespreken.
(1) De
Spaanse socioloog Manuel Castells (Berkeley, San
Francisco) constateert in zijn bekende trilogie
The
Information Age: Economy, Society and Culture (1996) dat de wereld
zoals wij die kenden voor het
informatietijdperk niet meer bestaat. De
gestaalde kaders van onze oude bevelscultuur worden opgeblazen.
Het
informatietijdperk is een tijd van vrijheid en anarchisme.
Bestaande identiteiten worden gemakkelijk
afgebroken
of gepasseerd. Castells meent dat de IT golf tot een machine
is uitgegroeid die door niemand
meer
beheerst kan worden (cf. de golem van Praag). Onze zapp- en
netwerkcultuur groeit ons boven
het
hoofd. We hebben dus ook geen vat meer op de identiteit van groepen
of enkelingen. De behoefte
aan
identiteit is er wel, want bijna iedereen is informatiemoe of zelfs
informatieziek; maar er blijft te weinig
tijd
en energie over om wezenlijk na te denken over identiteit. Citaat
uit Castells, Vol. 2: The Power of
Identity
(p. 355): "The dissolution of shared identities, which is
tantamount to the dissolution of society
as a
meaningful social system, may well be the state of affairs in
our time. Nothing says that new identities
have
to emerge ... At first sight, we are witnessing the emergence
of a world exclusively made of markets,
networks,
individuals, and strategic organizations, apparently governed
by patterns of ‘rational expectations’
(the
new, influential economic theory), except when these ‘rational
individuals’ suddenly shoot their
neighbor,
rape a little girl, or spread nerve gas in the subway.
No need for identities in this new world:
basic
instincts, power drives, selfcentered strategic calculations,
and, at the macro-social level, ‘the clear
features
of a barbarian nomadic dynamic, of a Dionysian
element threatening to inundate all borders and
rendering
international political-legal and civilizational norms
problematic.’ A world whose counterpoint
could
be, as we are seeing already in a number of
countries, a nationalistic reassertion by the remnants of
state
structures ..." Uitholling van identiteit rukt op en raakt
individu, huwelijk en gezinsleven, stad en land,
en
kerk, zonder dat men naar nieuwe identiteit zoekt.
(2) Voor
de postmoderne mens is de waarheidsvraag niet
relevant, maar de belevingsvraag. De grote
verhalen
zijn uitgespeeld (dat is post-modern), de waarheid is
gefragmenteerd. We leven in een multiversum,
waarin
ieder zijn eigen privé-waarheidje heeft. Identiteit is
dus ook samengesteld, meervoudig. Dat is al te
zien
aan hoe postmodernen zich kleden: bij-elkaar-geraapte stijlen en
symbolen. Identiteit is opgebouwd uit
brede,
maar dunne netwerken (niet-regisseerbare verbanden) waar men
gemakkelijk doorheen kan zappen.
Dit
geeft een gevoel van vrijheid, want vriendschappen zijn losvast.
Maar deze ‘homo-zappens’ is ook
eenzaam
in zijn vlechtwerkje van virtuele relaties. Hij is een onthecht
mens, en velen lijden onder deze door
hechtingsangst geplaagde
tijdgeest. "Arme en jammerlijke wereldgeest" noemt de apostel
het - de huidige
is
zonder "smoel". Voor de pomo-mens (postmoderne mens) is "waar" wat
hij nu beleeft. Het gaat hem
of
haar om de volle echtheid van het nu-continuüm. Op de
belevingsvraag ga ik zo nog in.
(3) Omdat
de waarheidsvraag er weinig toe doet, en de
nu-beleving voorop staat, is er bij de pomo-mens
nagenoeg
geen belangstelling voor het verleden. Hij is a-historisch en
vaak zelfs anti-historisch. Identiteiten
van
"toen" kunnen ter aarde storten. Ik constateer een dramatisch gemis
aan historisch besef en daardoor
aan
gezond zelfrelativisme. Velen vergeten dat identiteit in het verleden
ligt en slechts daar gezocht en
gevonden
kan worden. Het verleden wordt beleefd als een uitdijend
heelal, waar de afstanden steeds
groter
worden, en de werkelijkheid steeds moeilijker toegankelijk.
Volgens het hermeneutische
deconstructivisme,
dat uitgaat van de vooronderstelling dat vaste
betekenissen van teksten niet mogelijk
zijn,
gaan historische teksten niet over waarheid of werkelijkheid. Wij
kennen het verleden alleen uit
verhalen
en teksten, maar in het pomo-denken is er geen verleden: er
zijn immers verledens. Het
verleden
bestaat niet. Maar zonder verleden is de identiteit van de
toekomst onzeker. Een volk zonder
geschiedenis
is een volk zonder ziel. Men kent de vaderlandse
geschiedenis nauwelijks, evenmin als
de
Bijbelse geschiedenis. Deze generatie is de generatie van de moord
op het verleden en de traditie,
en
daarmee op de eigen identiteit (een land zonder geschiedenis is een
land zonder ziel; een mens zonder
geschiedenis, is een mens zonder
ziel; een kerke zonder geschiedenis, is een kerk zonder ziel). De
aandacht
ligt bij: kijk eens wat ik allemaal kan, niet bij: kijk eens
wie ik ben. Dat brengt mij opnieuw
bij de
belevingsvraag.
(4) In de
westerse economie draait het in de commercie
volledig rond de belevingskwaliteit, waar
flink
voor betaald wordt. Men wil meer betalen voor meer comfort, voor
meer gemak en gevoel.
Er
bestaat een heuse gevoelsmarkt. En kerken kunnen eigenlijk ook niet
meer zonder die markt.
Emoties
kunnen gekocht en aangeboden worden. Overal wordt gehandeld en
onderhandeld over
gevoel.
De kerk is ook zo´n onderhandelingsplek - een
hangplek voor relishoppers. In dit verband
wil ik
wijzen op de uitstekende bundel artikelen onder redactie van
Andrew Fountain, Loving the
God of
Truth. Preparing the Church for the Twenty-First Century
(Toronto, 1996). In deze bundel
zijn
de lezingen opgenomen van de Achtste Internationale Baptisten
Conferentie te Toronto in 1996.
Daarin
spreekt de Parijse Baptistenvoorganger Paul Appéré over
"het evangelie van MTV" en de
"MacDonaldisering van de kerk".
Christenen zoeken ook binnen de kerk naar entertainment
(enterpreaching).
Men voelt zich klant (liefst een in de watten
gelegde, welkome klant) en wil als
betalende
klant ook "geholpen" worden. Snelle en gemakkelijke
antwoorden, opgedist in showachtige
samenkomsten, moeten het vrome
gemoed naar de toppen van het gevoel brengen. Over de inhoud
van de
megafestatie moet steeds onderhandeld kunnen worden. Dus ook
over de preek, de geboden,
de
vermaningen. Men wil eigenlijk onderhandelen met God Zelf. Gods wet
wordt stuk-onderhandeld,
want
men wil liefst op-maat-gesneden afspraken met God. De opmars van
het antinomianisme
(neo-Marcionitische
gnostiek) is binnen deze sferen dan ook niet te
stuiten. Ten onzent heeft prof.
Heitink
op deze beweging gewezen in zijn boek Biografie van de dominee
(Baarn, 2001): "Mensen,
bijkomend
van de druk van hun dagelijks leven, zoeken ook in de kerk
‘vrijblijvende ontspanning,
nostalgisch
verlangen, zoete spijs, troostrijke gebaren en gemakkelijk
vermaak’ (Nauta). Het dwingt
de
predikant in de rol van religieus entertainer. Voorziet hij hier
niet in, dan is al gauw sprake van
disfunctioneren"
(267). Nederlanders zijn onderhandelaars bij uitstek.
Het zit ons in het bloed. Ook
het
onderhandelen over God. Misschien dat wij daarom ook vast zitten
aan onze wekelijkse geestelijke
adrenalineshot, en dat wij daarom als
land geestelijk diep in de problemen zitten.
(5) De
vorige punten vat ik onder het vijfde punt samen,
en breid deze met aanvullende gedachten uit.
Onze
cultuur is sterk mensgericht. Beleving staat daarbij centraal.
Voor het nadenken over zichzelf
(zelfreflectie,
psychohygiène), God en de medemens is nauwelijk
ruimte of interesse. De plaats van
de
emoties is ook binnen de kerken een dominante. De Engelse
Puriteinenkenner Iain Murray bespreekt
dit
uitvoerig in zijn recente boek Evangelicalism Divided. A
Record of Crucial Change in the Years
1950
to 2000 (Edinburgh, 2000). Hij registreert dat de invloed van de
Duitse theoloog Friedrich
Schleiermacher
nog steeds groot is, en dat zijn denkbeelden
verdeeldheid bewerken onder evangelicale
theologen.
Ik moet zeggen dat Murray in een aantal opzichten gelijk
heeft. Schleiermacher is voor ons
actueler
dan ooit. Iain Murray, in de jaren vijftig assistent van Dr.
Lloyd-Jones, toont met een gedetailleerd
overzicht
aan dat de evangelische beweging in Engeland, in het kielzog
van de Verenigde Staten, in
zichzelf
verdeeld is geraakt vanwege verschil van visie over de aard
van de Godsopenbaring. Murray
opent
zijn boek veelzeggend met de grote invloed die Friedrich
Schleiermacher (1768-1834) vanaf
de
negentiende eeuw op de ontwikkeling van de theologie heeft
uitgeoefend. Opgevoed in piëtistische
kring
stelt hij zich te weer tegen de verering van de rede, en heeft
hij de eigen plaats van de theologie
in de
wetenschap willen veilig stellen door voor de theologie de mens
zelf als uitgangspunt te nemen. Het
wezen
van religie is bij Schleiermacher niet denken of handelen, maar
het religieuze gevoel, of de
onmiddellijke
intuïtie, dat hij definieert als het bewustzijn van
volstrekte afhankelijkheid ("ein
schlechthinniges
Anhängigkeitsgefühl"). De Schrift is dan ook
een compilatie van geschriften die het vrome
zelfbewustzijn willen
uitdrukken. Vanaf Schleiermacher zijn het antropocentrisme en het
subjectivisme in
de
theologie, en vooral in de hermeneutiek, niet meer weg te denken.
Ook al heeft Karl Barth zich sterk
tegen
hem verzet (Die protestantische Theologie im 19. Jahrhundert.
Ihre Vorgeschichte und ihre
Geschichte
[Zürich, 1947; 19855] 409-412 ["Das christlich fromme
Selbstbewußtsein betrachtet und
beschreibt
sich selbst: das ist grundsätzlich das Eins und Alles
dieser Theologie", 409]), en God tot
Subject
van zijn theologie gemaakt, het gezag van de Schrift als "een
Tegenover" van de mens was
voorgoed
in twijfel getrokken. In 1978 spraken E.J. Beker en J.M.
Hasselaar zelfs van een
"Schleiermacher-renaissance" (Wegen en
kruispunten in de dogmatiek; deel 1 [Kampen, 1978] 135). Murray
is
van mening dat de evangelische cultuur van binnenuit, door
Gods
leerstellige openbaring tot subjectieve
standpunten
te verklaren, in een crisis belandt. Gesteund door de geest
van het postmoderne voluntarisme
is de
crisis eigenlijk onontkoombaar geworden. De kreet "oecumene van
het hart" is misschien niet meer
dan
een bedekte term voor evangelicaal pluralisme geworden.
Ik kom
nu tot een aantal fundamentele opmerkingen. Het gaat binnen de
Nederlandse evangelische
cultuur
zo weinig over God en zo vaak over ik-en-mijn-Jezus. Daarbij
valt het onderscheid tussen het
religieuze
gevoel en God snel weg. In de kern is dit heidendom: God
valt samen met zijn schepping. Maar,
en dat
is fundamenteel joods en christelijk: God geeft Zijn gevoel niet
aan ons; Hij wil dat niet, en kan dat
niet,
en de mens wordt niet ook maar een stukje God. Dit moet ons dan
ook eigenlijk fundamenteel kritisch
maken
ten opzichte van ons eigen religieuze gevoel. Karl Barth deed dat
als geen ander. Maar men doet
net
alsof Barth niet heeft bestaan. Logisch, want men kent hem niet en
leest hem niet. Deze Nederlandse
generatie
evangelicalen heeft het verleden niet nodig. Zij is immers de
uitverkoren generatie die de tijden
van
Elia en Mozes doet herleven. Alle heiligen en engelen kijken op
Nederland toe, zij hebben op ons
gewacht,
daar begint de opwekking die de wereld verandert. Wij vinden
de waarheid over God zelf uit.
Luther
was zielig, Calvijn een neuroot, Feisser oubollig, Barth een
stoffige Duitse theoloog. Ja, de
Nederlandse
evangelicalen blazen al dit stof van God af.
Wat
overblijft is een identiteitsloze grootst-gemene-deler van de
zichzelf overschattende Nederlandse
evangelische
gevoelsmarkt. Een samenvatting biedt de "gele bundel" van Opwekking. De
armoede aan
historische,
Bijbelse identiteit van die bundel is zo groot, dat alle
voordeel erbij verbleekt. De God van
Opwekking
bouwt als wij aanbidden, blijft ons altijd maar liefhebben;
meer nog: ik moet zingen dat ik
zijn
liefde liefheb. Deze God steekt zo mager en zielig af tegen de God
van Abraham, Izaak en Jakob
en
vooral van David. De gele God van Opwekking heeft meer weg van een
westerse psychotherapeut.
Ik
vraag me af of de Nederlandse Opwekkings-God niet meer is dan een
projectie van postmoderne,
beschadigde
en onvervulde verlangens, dus van onze leegte. Hij is meer
de God van de Edda (IJslandse
boek
der mythen, cf. Miskotte) dan van de Tora, meer de God van de
Olympus dan van de Sinai en
Golgotha.
(Natuurlijk heeft de bundel ook goede liederen; het ontbreekt
echter aan variatie - de fout
ligt
in de eenzijdigheid, de vele herhalingen, en de oppervlakkigheid
van tekst - te veel antropologie,
te
weinig theologie.)
Ik kom
nu aan de conclusie van de eerste twee hoofdpunten toe. Hoe ver
staat dit evangelische milieu
af van
Feisser en de geschiedenis van het Baptisme, hoe ver van het
gedachtengoed van onze voorvaders?
Hoe
veraf misschien ook van de koers van de Schrift?
Nu zal
een postmodern mens zeggen: wat maakt dat uit. Maar op dit soort
bewustzijnsvernauwende
opmerkingen
wens ik niet in te gaan. Ik ga ervan uit dat een Christen,
met enig vermogen tot zelfreflectie,
er
enigszins van doordrongen is te staan in een traditie van eeuwen, en
dat de grote daden Gods niet pas
bij
hem of haar beginnen.
Uit de
Achtste Internationale Baptisten Conferentie (1996) blijkt reden
tot bezorgdheid. Baptisten zijn
niet
zonder identiteit, en moeten die niet verliezen. De tijdgeest doet
echter wel verliezen en vergeten, en
plaatst
het gevoelsleven bovenaan de agenda. Feisser zou dat nooit
gedaan hebben, integendeel. Zoals
gezegd:
voor Feisser is de menselijke zede, het religieuze gevoel, geen
natuurlijke landingsplaats voor
Gods
genade. En bovendien dient het vrome gevoel in de hechte
gemeenschap, waar de Schrift (in
begrijpelijke
taal uitgelegd) centraal staat, gecontroleerd te worden
(dat is het kerk-zijn voor de Baptist).
Ons
tijdsbeeld staat veraf van dat van de vader van het Nederlandse
Baptisme.
Baptistengemeenten
lopen het gevaar contact met het verleden te
verliezen, en de waarschuwingen van
Feisser
niet ernstig te nemen. De kerk is geen plaats waar de mens zijn
podium kan bouwen - de kerk
is
Gods huis. Het gaat daar om Gods eer. En die lijn van Gods eer loopt
ook sinds jaar en dag door de
theologie
van de Baptisten heen. De Amerikaanse historicus van het
Baptisme Tom Nettles schreef in
1986
zijn bekende boek By His Grace and for His Glory, en betoogt
daarin dat Baptisten van oudsher
meer
bij Calvijn aansluiten dan bij Arminius. Met andere woorden: zij
hebben een diep wantrouwen naar
de
eigen vermogens van de mens om daarmee iets voor God te betekenen.
De mensvisie is zogezegd
behoorlijk
pessimistisch, en dat straalt af op de wijze waarop de kerk
samenkomt. Alle ruimte wordt
aan
God gelaten, en mensen moeten wijken.
Ik
constateer dat men binnen Baptistische kringen hiervan aan het
weggroeien is. Bewust of onbewust,
dat
weet ik niet. En het is een gevaarlijke tendens. De kerk wordt niet
gemaakt door mensen - de gemeente
is
geen mensenwerk ("Gods bouwwerk, zijt gij"). Te veel tijd, geld en
energie gaat zitten in mensgerichte
zaken
die het luisteren naar God eerder hinderen dan bevorderen. Om de
postmoderne mens te
overrompelen
en te winnen voor Christus wordt met shows uitgepakt. Hij
moet diep in zijn gevoel
geraakt
worden. Maar dan zijn we verkeerd bezig. Het verstand moet
bevrucht worden, en van daaruit
het
hart. Helaas komt het vaak niet zover - zonder er bij na te denken
gaat men vanuit het gevoel dienen,
en
groeit men van meet af aan scheef in het geloof op. Activisme en
gedrevenheid zijn wel breed, maar
ook
flinterdun, en oppervlakkig (cf. Greg Pritchards onderzoek van de
gemeente Willow Creek).
Identiteit
zit in de diepte, niet in de breedte. Identiteit zit in wie
je bent, niet in wat of hoeveel je doet.
En God
is vooral in het eerste geïnteresseerd. De wereld in het
tweede.
Verwachtingen.
De
evangelische beweging kalft af. De godsdienstsocioloog Hyme Stoffels
heeft in zijn lezing voor de EA
gezegd
dat de evangelische beweging haar kracht aan het verliezen is.
Zij is braaf geworden, heeft zich
geplooid
naar de wereld. Zij wordt nu echt serieus genomen, zij is
"salonfähig" geworden, en daarmee zo
goed
als geneutraliseerd. Dit zal zo blijven doorgaan, totdat er weer
een nieuwe evangelische beweging
opstaat
die de klok gaat luiden. Ook de Engelse theoloog A. McGrath
heeft hierop gewezen. De
evangelische
beweging moet gauw weer relevant en anders worden, diep
gemotiveerd door gezonde
theologie
en minder door gevoel, anders gaat zij haar bestaansgrond en
bestaansrecht verliezen.
Ik
verwacht niet dat de geestelijke erosie tot stoppen te brengen is.
Ook niet binnen de
Baptistengemeenten.
Ik zie het dus somber in. Om relevant over te komen
zal men blijven doorgaan
met
mensen te plezieren. Men ziet niet dat relevantie daar niet van
afhangt. Relevantie heeft te maken
met
identiteit, "anders-zijn", en niet met "meer van hetzelfde".
Relevantie zit in de diepe overtuigingen
die we
in ons hart dragen. Het hart dat op God gericht is, op Zijn eer
en kerk. Een kerk met identiteit is
een
gemeenschap die er is om God te behagen, en niet om mensen te
entertainen. Ik betwijfel of wij
onze
leden of gasten daarin durven teleur te stellen. Geen batterij aan
muzikanten, geen beamer, geen
dans
en kleuren, geen toneel, geen korte preek, geen gemakkelijk in het
gehoor liggende
Opwekkingsnummers,
geen humor, geen lieftalligheid, geen peptalk, maar
Goddelijke ernst.
Adviezen
en aanbevelingen.
Wil er
enige hoop zijn voor de Baptistengemeenten, dan ligt die in haar
identiteit. Ik raad dan ook aan
om die
te gaan onderwijzen, voor jong en oud. Laat er daarom meer
historische prediking zijn (identiteit
ligt
altijd in de geschiedenis). Dat vraagt veel voorbereiding, maar de
mensen kennen de Bijbelse
geschiedenis
nauwelijks. Maak de leden ook vertrouwd met hun eigen
kerkgeschiedenis. Waaruit ben
je
voortgekomen. Doordat het Joodse volk haar geschiedenis zeer goed
kent, bestaat het nog.
Bij
die identiteit, zo zei ik, horen diepe overtuigingen. (Men zou zich
derhalve minder moeten laten leiden
door
gemeentegroeibewegingen, sociologie en managementpraktijken.)
Preek die overtuigingingen dan
ook.
Laat er veel ruimte zijn voor prediking, onderwijs en studie
waarbij diep wordt nagedacht. Doceer
de
gemeente ook theologie (grote verhalen - die zijn juist nodig
voor houvast in de identiteit; cf. D.A.
Carson).
En
vooral: loop het religieuze gevoel niet achterna. Preek achterdocht
ten aanzien van het eigen gevoel.
Leer
mensen nadenken, gezond zelfrelativisme. Leidt hen tot ware
Godskennis, en van daaruit tot meer
zelfkennis.
Baptisten
staan voor de grote uitdaging om allereerst de
mensgecentreerde tijdgeest bij zichzelf te
verslaan.
Misschien komt het er dan ooit nog eens van om die van
anderen te verslaan. Er staat veel
op het
spel: identiteit, identiteit, en nog eens identiteit.
Lezing
gehouden voor de Broederschap van Baptistengemeenten in
Nederland op 31 maart 2003
--------------------------------------------------------------------------------
©
2003 George Whitefield Stichting.
Overname is toegestaan, mits voorzien van de
bronvermelding
© 2003 Stichting
George Whitefield , online: www.whitefield.nl/artikelen".