Baptisme 400 jaar.
Ontstaan van het baptisme.
In
1609 werden in Amsterdam vijftig Engelsen, die vanwege
geloofsvervolging het moederland waren onivlucht, op de belijdenis van
hun geloof gedoopt. Dit jaar vieren miljoenen baptisten over de hele
wereld deze gebeurtenis als het begin van de geschiedenis van hun
geloofsgemeenschap: 400 jaar baptisme ! Wat had hen tot deze stap
bewogen? Zij hadden een kerkelijke achtergrond, de Engelse staatskerk,
waarin alleen de kinderdoop werd bediend. Zij waren in twee stappen
gekomen tot de keuze voor de geloofsdoop.
Gevlucht naar Nederland
Het
was begonnen met onvrede over de naar hun mening halfslachtige wijze
waarop in Engeland de kerkreformatie was doorgevoerd. De Engelse kerk -
de Anglicaanse kerk - had nog vele roomskatholieke trekken, met name in
de viering van de erediensten en in de bisschoppelijke kerkregering.
Deze onvrede had in1607/1608 geleid tot de vorming van een eigen
gemeente, los van de staatskerk. Dat was in Engeland een riskante
onderneming. om aan vervolging te ontkomen, was de afgescheiden
gemeente gevlucht naar het redelijk tolerante Nederland. Typerend voor
het karakter van deze afgescheiden gemeente is de wijze waarop zij was
gevormd. De aspirantleden spraken één voor één uit: 'ik verbind mij met
God en met u allen om in de wegen van God te wandelen...'. Blijkens
deze stichtingsformule was de gemeente een verbond dat de leden
aangingen met God en met elkaar. In deze visie begint de gemeente bij
de leden en niet bij de bisschop, zoals in de Anglicaanse kerk.
Doop op belijdenis
De
tweede stap van de kinderdopende Anglicaanse staatskerk naar een op
belijdenis van geloof dopende gemeente werd gedaan in Nederland. De uit
Engeland gevluchte gemeente kwam in Amsterdam in contact met een
doopsgezinde gemeente. In Nederland waren al driekwart eeuw
doopsgezinden, die de doop op belijdenis van geloof praktiseerden. In
contact met hen kwam John Smyth, de leider van de Engelse
vluchtelingengemeente, tot de overtuiging dat een gemeente gefundeerd
moet zijn in de doop. De verbondssluiting van anderhalf jaar daarvóór
was niet voldoende. Die verbondssluiting moest gestalte krijgen in de
bediening van de doop. En zo werden alle leden alsnog gedoopt. Deze
gebeurtenis wordt aangemerkt als het begin van het baptisme. Niet dat
de gedoopten zich 'baptisten' noemden. Dat zou pas in 1611/1612 in
Londen gebeuren. Eén van de leden van de gedoopte vluchtelingengemeente
- Thomas HeIwys ging met een handjevol medebroeders en -zusters terug
naar Engeland en stichtte in Londen de eerste baptistengemeente die
deze naam droeg.
In
de ontstaansgeschiedenis van het baptisme stond de vraag naar de ware
christelijke gemeente centraal. Het ging om de gemeente. Zij behoorde
te bestaan uit leden die een persoonlijk geloof in Jezus Christus
beleden en zich committeerden aan de zaak van God en aan elkaar. De
nadruk op belijdenisdoop was daarvan een logische consequentie. Alle
nadruk viel op de gemeenschap van gelovigen die met God en elkaar een
verbond hadden gestoten. Elk van zulke verbondsgemeenten was in
zichzelf een volwaardige gemeente en had daar geen ambten of kerkelijke
organisatie buiten eigen kring voor nodig. Elke gemeente was autonoom.
De nadruk op de gemeente als verbond van gelovigen hield ook in, dat
het hoogste gemeentelijke gezag berustte bij de vergadering van allen
die tot het verbond waren toegetreden (de gemeentevergadering). Deze
gemeenteopvatting en praktijk draagt de naam congregationalisme
(congregatio = gemeente) en is tot op de huidige dag typerend voor het
baptisme.
Scheiding van kerk en staat
Het
baptisme is ontstaan in een klimaat van geloofsvervolging. Dit heeft
baptisten van meet af aan gemaakt tot strijders voor vrijheid van
geloof en geweten. De zojuist genoemde Thomas HeIwys richtte zich in
1613 tot de Engelse koning met de woorden: 'De koning is een sterfelijk
mens en niet God. Daarom heeft hij geen zeggenschap over de
onsterfelijke zielen van zijn onderdanen'. Deze woorden impliceren een
principiële scheiding tussen kerk en staat. De staat heeft geen gezag
over de kerk en het geloof van haar leden. En omgekeerd mag de kerk de
overheid niet voor haar karretje proberen te spannen. Deze principes
zijn in de loop der tijden verankerd in de grondwet van vele naties,
voor de eerste maal in 1791 in de Verenigde Staten van Amerika.
Baptisten hebben daarin een belangrijke rol gespeeld. Het baptisme is
ontstaan in een sfeer van onvrede met de situatie in de Engelse
staatskerk. Er was een brede stroming, die van het puritanisme, die de
kerk radicaler wilde hervormen. De vluchtelingengemeente rond John
Smyth, waaruit het baptisme is voortgekomen, was sterk door dit
puritanisme beïnvloed. Dit begin licht iets op van de verdere
geschiedenis van het baptisme. Door de eeuwen heen hebben baptisten een
grote gevoeligheid getoond voor geestelijke vernieuwings- en
hervormingsbewegingen. Een sprekend voorbeeld hiervan is de explosieve
groei van het Amerikaanse baptisme in de achttiende eeuw, onder invloed
van de opwekkingsbeweging die bekend staat als de Great Awakening. In
de sfeer van opwekkingsbewegingen dient de baptistengemeente zich aan
als het ‘bijbels alternatief’ voor de gevestigde, traditionele kerk.
Passie voor zending
Het
baptisme is in de loop van 400 jaar uitgegroeid tot een wereldwijde
gemeenschap van gemeenten. Deze expansie hangt samen met een passie
voor zending en evangelisatie. Het baptisme is in 1609 in Amsterdam
begonnen in een Engelse vluchtelingengemeente. De eerste Nederlandse
baptistengemeente dateert van 1845. Toen doopte een Duitse baptist in
het Drentse Gasselternijveen een groepje gelovigen rond de afgezette
Nederlands hervormde predikant dr. J.E. Feisser. Feisser was
stukgelopen op het gewoonte-christendom in zijn kerk. Hij was tot de
overtuiging gekomen dat een kerk moest bestaan uit leden 'aan wie de
tekenen van zaligmakende genade zichtbaar waren'. Deze kerkvisie had
hem vervolgens gebracht tot kritiek op de kinderdooppraktijk. Net als
Smyth twee eeuwen eerder, zocht Feisser naar de gestalte van de ware
christelijke gemeente. In 1845 herhaalde zich de geschiedenis van 1609.
Olof de Vries
Emeritus hoogleraar
Rijks Universiteit Utrecht